|
Dalfsen tegen windmolens Windenergie |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Artikeloverzicht
1. Toepassing 2. Voordelen en nadelen 3. Elektriciteitsopwekking 3.1. Windparken 4. Energieopslag
Windenergie, het gebruik van de energie van wind.
Windenergie wordt van oudsher voor de voortstuwing van zeilschepen gebruikt. Daarnaast worden windenergie en waterkracht al eeuwenlang omgezet in mechanische energie, vroeger met behulp van een windmolen en tegenwoordig vooral met behulp van een windturbine. De mechanische energie kan gebruikt worden voor de aandrijving van werktuigen of worden omgezet in warmte of elektriciteit. Voor geïndustrialiseerde landen is de productie van elektriciteit tegenwoordig de belangrijkste toepassing. Voor afgelegen gebieden en windrijke streken in ontwikkelingslanden is het pompen van water voor huishoudelijk gebruik, bevloeiing, drainage en drinkwater voor het vee uitermate belangrijk. Voor de opwekking van kleine hoeveelheden elektriciteit voor specifieke toepassingen in afgelegen gebieden, zoals telecommunicatie, zend- en ontvangststations, koeling van voedingsmiddelen en verlichting, worden zeer kleine windturbines ingezet. In 1999 was in Nederland ca. 390 MW aan windvermogen geïnstalleerd. Voor windenergie zijn de klimaatvoorwaarden in België ongunstig. In 1998 was het geïnstalleerd vermogen ca. 4 MW (Zeebrugge). In de Hoge Venen zal een windmolenpark met ca. 6 MW geïnstalleerd vermogen worden gebouwd. De landen van de Europese Unie hadden in 1996 met 3496 MW (57%) geïnstalleerd windvermogen de eerste plaats bereikt, vóór Noord- en Zuid-Amerika (27%) en Azië (15%). In 1996–1997 wekte Duitsland de meeste stroom op met behulp van windenergie: 2081 MW per jaar, gevolgd door de Verenigde Staten (1611 MW per jaar) en Denemarken (1116 MW per jaar).
Daar lucht een medium is met uitzonderlijk geringe dichtheid en windkracht slechts gedeeltelijk kan worden omgezet in elektrische energie, heeft bijv. een windenergiecentrale in verhouding tot het opgewekte vermogen zeer grote afmetingen. Voor het opwekken (in Noord-Holland, Friesland en Groningen) van bijvoorbeeld 250 MW is een windpark van 20 tot 35 km2 nodig. Bouw van windturbines buiten de kust (offshore windenergie) levert het hoogste rendement, daar de wind op zee het minst gehinderd wordt. Nadelen daarvan kunnen zijn horizonvervuiling en gevaar voor vogels tijdens de trek (die voor een deel langs de kust plaatsvindt). Een groot bezwaar bij het gebruik van windenergie is bovendien dat de windsnelheid sterk kan fluctueren. Als het te weinig óf te hard waait, is de productie nihil. Bij te harde wind moet de windturbine namelijk worden stilgezet. Daardoor kan het vermogen van een windturbine gemiddeld slechts voor eenvierde worden benut. Het grootschalige gebruik van energie, opgewekt dmv. windturbines, als vorm van duurzame energiebron, brengt dan ook milieutechnische en planologische problemen met zich mee. Daar komt bij dat windenergie pas rendabel is te maken bij hoge aardolieprijzen.
Productie van elektriciteit uit windenergie gebeurt met moderne windmolens, windturbines genoemd, die qua uiterlijk nogal afwijken van klassieke windmolens. De grootte van de jaarlijkse gemiddelde windsnelheid bepaalt of windenergie economisch toegepast kan worden of niet. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) heeft voor Nederland een kaart gepubliceerd waarop de potentiële jaargemiddelde windsnelheden Up zijn aangegeven. De grootheid Up geeft aan hoe groot de gemiddelde windsnelheid op een aantal hoogten (10 m, 60 m) boven het maaiveld zou zijn indien het omringende terrein een bepaalde uniforme ruwheid zou hebben. Uitgaande van Up kan de ter plaatse op verschillende hoogten heersende gemiddelde windsnelheid worden geschat. Het KNMI hanteert hiervoor omrekeningsfactoren die afhankelijk zijn van de ruwheid van het terrein. Aangezien de opbrengst van windturbines sterk stijgt bij toenemende gemiddelde windsnelheid – het vermogen van de wind is evenredig met de derde macht van de windsnelheid – zal toepassing van windenergie op land economisch het meest aantrekkelijk zijn in de kust- en poldergebieden. Uiteraard mag de windsnelheid ter plaatse van de windturbine niet verlaagd worden door obstakels (gebouwen en hoge beplanting). Windenergie blijft voorlopig in de energieverzorging van de geïndustrialiseerde wereld slechts een bescheiden rol spelen. Dit ligt principieel anders in ontwikkelingslanden. Een kleine windturbine met bijvoorbeeld een rotordiameter van 10 m levert bij een gemiddelde windsnelheid van 5,5 m/s een hoeveelheid energie per jaar die even groot is als het gemiddelde primaire energieverbruik van een Nederlander en vijftien keer zo groot als het primaire commerciële energieverbruik van een inwoner uit een ontwikkelingsland. Daarbij komt dat windenergie in de geïndustrialiseerde wereld moet concurreren met goedkope elektriciteit uit het openbare net en in ontwikkelingslanden met meestal veel duurdere elektriciteit opgewekt met kleine dieselgeneratoren. 3.1 Windparken Veelal worden grotere turbines in groepen bij elkaar geplaatst en onderling elektrisch gekoppeld. Zo'n windpark of (Eng.) windfarm is te beschouwen als een kleine elektriciteitscentrale. Het geïnstalleerde vermogen van het grootste windpark van Europa (Eemsmond in Nederland) bedraagt 34 MW, genoeg voor het leveren van elektriciteit gedurende een jaar aan 24 000 huishoudens. Windparken zijn verder ook geplaatst in o.a. Sexbierum en langs de IJsselmeerdijk in Flevoland. De Nederlandse overheid heeft plannen om in het jaar 2020 meer dan 1250 megawatt vermogen aan windenergie te hebben gerealiseerd op het Nederlandse deel van de Noordzee. In België werd in de voorhaven van Zeebrugge een windpark met 23 windturbines aangelegd. De windkrachtcentrale van Zeebrugge levert elektriciteit aan de haven van Zeebrugge.
De windparken leveren hun energie direct aan de landelijke en regionale distributienetten. Op deze manier werken ze samen met de andere elektriciteitscentrales en is een opslagsysteem, om tijden van windstilte te overbruggen, niet nodig zolang het windaandeel niet meer dan ongeveer 10% van de totale opwekcapaciteit is. Als de elektriciteitsvraag zeer laag is en het windenergieaanbod op hetzelfde moment zeer hoog, kan het nodig zijn de windturbines zo te regelen dat zij minder stroom genereren (bijv. door het toerental van de rotor aan te passen). Een andere mogelijkheid is de opgewekte elektriciteit te bewaren in energieopslagsystemen. Voor Nederland zijn enkele in aanmerking komende mogelijkheden onderzocht. Deze zijn: een bovengronds waterspaarbekken (het plan-Lievense), wateropslag in een ondergronds tunnelsysteem (OPAC, afk. v. ondergrondse pompaccumulatie) en het samenpersen van lucht in een ondergrondse ruimte. In het plan-Lievense is als energiebuffer gekozen voor wateropslag, waarbij elektrische energie tijdelijk kan worden omgezet in potentiële energie door het oppompen van een grote hoeveelheid water over een kleine opvoerhoogte in een bovengronds spaarbekken. Naar behoefte kan deze potentiële energie weer worden omgezet in elektrische energie door het water via turbines naar een lager waterniveau te laten lopen. De essentie is dat door de bufferwerking van het spaarbekken een ontkoppeling kan worden verkregen van de tijdstippen waarop elektriciteit met behulp van windturbines tijdens windrijke perioden wordt opgewekt en het tijdstip waarop aan deze energie behoefte bestaat. De elementen waaruit het plan bestaat: een spaarbekken omgeven door een dijk van minstens NAP +27 m; waterturbines in de dijk van het spaarbekken; windparken verspreid over het land. Als locaties van een spaarbekken zijn delen van de Markerwaard bestudeerd en twee plaatsen in de Noordzee niet ver van de Maasvlakte. Door het spaarbekken zelf treedt geen brandstofbesparing op doordat er sprake is van verliezen in het opslagsysteem. Het opslagrendement van een spaarbekken is ongeveer 75%. Wel zal een brandstofkostenbesparing optreden als er veel dure brandstoffen worden gebruikt, zoals aardolie en aardgas. Bij een OPAC-systeem wordt gedacht aan wateropslag in ondergrondse tunnelsystemen. Hierbij zal tevens een bovenbekken noodzakelijk zijn. Vanwege het hoge verval zal dit bovenbekken veel kleiner zijn dan het eerder genoemde spaarbekken. Bij persluchtopslag wordt elektrische energie gebruikt voor het samenpersen van lucht die ondergronds wordt opgeslagen. Tijdens een piekvraag kan de perslucht gebruikt worden als verbrandingslucht voor gasturbines. Dit principe van persluchtopslag is reeds in werking in het Duitse Huntorf.
Bronnen
voor dit artikel vermelden:
Windenergie 2
Windmolens,
feiten en ficties Ir J.A. Halkema Theo Mann-Bouwmeesterlaan 86 2597 HJ Den Haag tel-fax: 31.(0)70-3244153 e-mail: jahalkema@compuserve.com
mei 2004
Vermogen en Energie. Belangrijk is dat begrepen wordt dat de technische uitdrukkingen Vermogen en Energie twee totaal verschillende zaken aanduiden: Energie wordt opgewekt wanneer een bepaald Vermogen gedurende enige Tijd wordt uitgeoefend. Dus: Energie = Vermogen x Tijd Daarom zal altijd bij een aanduiding van een bepaalde hoeveelheid Energie ook de aanduiding van een bepaalde hoeveelheid Tijd nodig zijn. Zo hoort bijvoorbeeld bij de aanduiding van de hoeveelheid elektrische energie altijd ook een tijdsaanduiding, zoals bijvoorbeeld kilowattuur. De aanduiding van de kleinste eenheid van energie is Wattseconde . Maar hiervoor wordt meestal de uitdrukking Joule gebruikt. Dus 1 Joule =1 Wattseconde. Ondanks deze zeer kleine eenheid wordt toch voor grote tot zeer grote hoeveelheden energie vaak deze eenheid Joule gebruikt. Dat resulteert uiteraard altijd in zeer grote getallen. In de elektrotechniek en de energietechniek wordt meestal de al aanzienlijk grotere eenheid, de kilowattuur gebruikt: 1 kilowattuur = 1000 x 3 600 Joules (een uur telt immers 3 600 seconden). Anders gezegd: 1 kilowattuur = 3600 kilojoules. (Of weer anders uitgedrukt, 1kWu = 3,6 megajoules) Decimale voorvoegsels.
Om hiermee even te oefenen: 1 terajoule = 1 TJ = 1012 Joule = 109 kilojoules, dus = 109 / 3600 = 278.000 kWu (of kWh) Het rekenen met kilowattjaren in plaats van met kilowatturen. Wanneer men de jaaropbrengst van een bepaalde stroomopwekker (een turbogenerator of een windmolen bijvoorbeeld) in kWu's, dus kWh's vermeld krijgt zal dat getal bijzonder groot zijn. In ieder geval zo groot dat men daaruit niet ineens kunt opmaken met hoeveel gemiddeld vermogen gedurende dat jaar deze hoeveelheid energie werd opgebracht. Handig is daarom dit grote getal in kWh's om te rekenen in kilowatt aren, in kWj's . Dus door te delen door 8760, het aantal uren dat een jaar telt. In één oogopslag ziet men dan met welk gemiddeld jaarvermogen deze hoeveelheid energie werd opgewekt; eenvoudig door het weglaten van het achtervoegsel jaar! Voorbeeld: Een turbogenerator die in een jaar 240.000 kilowattjaar produceerde draaide in dat jaar met gemiddeld 240.000 kW of met 240 MW. Eenvoudiger kan niet. Of een ander voorbeeld: Een 2000 kW windmolen die ineen jaar 3500.000 kWh opwekte heeft dus (delen door 8760) 399,5 kWj opgebracht. Hij draaide dus met een gemiddeld jaarvermogen van 399,5 kilowatt. U ziet hieruit het gemak van het uitdrukken van een bepaalde hoeveelheid in een jaar opgewekte energie in kilowattjaren. Het maakt het gemiddelde vermogen in dat jaar meteen zichtbaar. De bijdrage aan het landelijke, Nederlandse, elektriciteitsgebruik. Dat gebruik was, weer uitgedrukt in kilowattjaren, in 2003 ongeveer 12.500.000 kWj. Dat werd dus door alle voedende centrales, in binnenland en buitenland, opgewekt met een gemiddeld vermogen van 12.500.000 kW, of wel 12.500 MW. Van het totale Nederlandse gebruik werd vanuit het buitenland tegen de 20 procent. geïmporteerd. Dus met een gemiddeld centralevermogen van ongeveer 2500 MW. Een zeer forse hoeveelheid (Veel uit Duitsland en daar veelal in bruinkoolcentrales opgewekt, en verder voor een groot deel uit Frankrijk, in kernenergiecentrales opgewekt.) Dat Nederland in de verste verte de totale eigen behoefte niet in Nederlandse centrales kan opwekken zal zeker nog eens tot grote moeilijkheden leiden... Maar deze opmerking terzijde. Voor allerlei beschouwingen is het van groot belang dat men zich realiseert hoe immens groot de totale behoefte aan elektriciteit van ons land is! Dat getal 12.500.000 kWj dus. Door dat getal niet te kennen, of juist te verzwijgen, worden vele dwaze verhalen en hun conclusies rondverteld. Gewild of uit onwetendheid. Meestal over het nut van windmolens! Ook is het nuttig te weten dat de totale Nederlandse behoefte in de afgelopen jaren een jaarlijkse toename had van 2 tot 3 procent. Een toename van het benodigde centralevermogen van dus 250 tot 375 MW per jaar. Door de verslechterde economie is deze toename nu afgenomen tot ongeveer 1 á 1,5 %. Nu nog wat over windmolens Wie wat meer over gedrag en prestaties van windmolens en alle misleidingen daarover wil lezen en leren moet mijn boekje "Windmolens? Zinloze machines!" (ISBN90 5959 015 5) lezen. In het kort uit dat boek de belangrijkste zaken: 1. Het is tengevolge van natuurkundige wetten een absolute onmogelijkheid dat windmolens ooit nog eens een echt groot vermogen zullen kunnen opwekken. Nu niet, en ook in de toekomst niet. 2. De ( onvoorspelbare) opbrengst aan kilowatturen ( of kilowattjaren) van windmolens over een jaar gerekend zal altijd zeer gering zijn en blijven. Zoals de jaaropbrengst van één enkele stoomturbine in een centrale makkelijk in enkele honderden megawattjaren uitgedrukt kan worden zal die bij een windmolen nooit meer zijn dan in enkele honderden kilowattjaren.. Dus zeker een factor duizend maal minder. Vergeet u dus nooit: bij turbines in centrales hebben wij het altijd over megawatten, bij windmolens (of windturbines) altijd over kilowatten aan opbrengst. Dat duizendvoudige verschil wordt door de promotors van windenergie altijd zorgvuldig, en natuurlijk doelbewust, verzwegen. Dit valt daarom maar weinig mensen op. 3. Deze minimale opbrengst van windmolens zal bovendien nooit in één regelmatige sterkte ter beschikking komen, maar in honderden kleine portietjes kilowatturen afhankelijk van de toevallige windsterkte tijdens die 365 dagen in een jaar. Een windmolen zal daarom nooit als ononderbroken en betrouwbare stroombron voor welke afnemer dan ook gebruikt kunnen worden. Een "huishouden" zou toch wel gek zijn de elektriciteit uitsluitend te willen betrekken van zo'n onbetrouwbare, wisselvallige bron als een windmolen. Desondanks wordt bij ieder verhaal over windmolens gesuggereerd dat zus of zoveel huishoudens gevoed zullen kunnen worden. Dit is dus alweer niets anders dan doelbewust misleidende propaganda. De opbrengst van windmolens in vergelijking met de behoefte aan elektriciteit in Nederland. Wat die totale behoefte van Nederland is vindt u hierboven. Die was dus in 2003 ongeveer 12.500.000 kWh. Nu moet u even onthouden: één honderdduizendste deel van onze behoefte is dus 125 kWh. Dit getal komt zodadelijk ter sprake. De jaaropbrengst van een windmolen is door zijn uiterst sterke wisselvalligheid maar een fractie van wat het ding bij continu met vol vermogen zou kunnen opwekken. Dat deel van de werkelijke opbrengst ten opzichte van de theoretische opbrengst met vol vermogen noemt men de productiefactor. Die productiefactor is gemiddeld voor alle in Nederland opgestelde windmolens bij elkaar (nu ruim 1500 stuks) niet meer dan 15 á 20 procent. Aan de kust wat meer, in het binnenland aanzienlijk minder. (Deze getallen werden officieel door de Kema-Arnhem bekend gemaakt) Dat betekent dus dat van het totale nominale vermogen van die ruim 1500 windmolens bij elkaar niet meer dan voor 15 á 20 procent effectief elektriciteit wordt geleverd. (De kostprijs van de hele windmolen inclusief alle elektrische voorzieningen blijft natuurlijk altijd gebaseerd op die 100 procent van het nominale vermogen! Er wordt dus altijd voor 100 % betaald, maar de opbrengst zal nooit meer zijn dan 15 á 20 procent. Het best te vergelijken met het voor heel veel geld kopen van "een kat in de zak") Hieronder vindt u de totale jaaropbrengst van moderne zeer fors grote windmolens die overigens nooit anders aangekondigd worden dan met hun maximale (of "nominale") vermogen. Een vermogen waarmee zij dus alleen uiterst zelden draaien. Hier worden de windmolens van "1000 kW", van "2000 kW"en van "3000 kW" genoemd. (Deze laatste zijn dan bijzonder grote, hier nog maar weinig voorkomende windmolens). U krijgt de opbrengsten te zien voor de twee verschillende productiefactoren 17 en 25 procent. Dit zijn dus al bijzonder hoog ingeschatte factoren! In ieder geval aanzienlijk hoger dan het werkelijk gemeten gemiddelde voor Nederland. De "1000 kW" windmolen zal met een productiefactor van 17 % een jaaropbrengst geven van 0,17 x 1000 = 170 kWjaar. En bij de hoogst zelden bereikte productiefactor 25 % niet meer dan 0,25 x 1000 = 250 kilowattjaar. Dat betekent per windmolen resp. 1,35 en hoogstens 2 honderdduizendste deel van de totale behoefte van Nederland. De "2000 kW" windmolen zal bij de genoemde productiefactoren 17 resp 25 % het tweevoudige opbrengen, dus hetzij 2,7 of 4 honderdduizendste deel van de Nederlandse behoefte. Voor de enorme grote "3000 kW" windmolen zal de opbrengst dus hetzij 4,05 resp. 6 honderdduizendste deel van de Nederlandse behoefte. U ziet hoe bespottelijk weinig windmolens aan de Nederlandse elektriciteitsbehoefte kunnen bijdragen. Zelfs die enorme 3000 kW windmolens komen bij de uitzonderlijk hoog geschatte productiefactor van 25 % tot niet meer dan 6 honderdduizendste deel! Daarbij mag u niet vergeten: deze miserabele opbrengst geschiedt niet met een regelmatige ononderbroken stroom, maar volledig afhankelijk van de toevallige windsterkte. Niemand van de bouwers zal daarom bereid zijn voor die opbrengst een garantie te geven. En nog veel minder daar ooit enige boetebepaling voor te weinige kWh-levering voor accepteren! Conclusie: Windmolens zijn voor regelmatige levering van elektriciteit zinloze machines, maar iedere Nederlander wordt wel verplicht aan alle subsidies mee te betalen.
1. Het is goed voor het milieu WEG MET KYOTO Nederland moet gidsland worden en uit het klimaatverdrag stappen, dat de economie bedreigt en niets doet tegen eventuele opwarming van de aarde. Het Kyoto-verdrag heeft een goede naam. Het klinkt groen en
suggereert staatsmanschap: eindelijk betonen de wereldleiders zich
werkelijk wereldleiders en laten de planeet niet verkommeren. Hoe zit het ook alweer met Kyoto? In die Japanse plaats maakten
diverse landen in december 1997 de afspraak om in 2012 gezamenlijk 5
procent minder broeikasgassen (vooral kooldioxide, CO2) uit te stoten in
vergelijking met 1990. De hoop is dat aldus de veronderstelde
klimaatverandering ten gevolge van het zogenoemde broeikaseffect kan
worden tegengegaan. Een belangrijk argument tegen Kyoto is dat het veel geld gaat kosten. Werkgroep drie van het VN-orgaan dat achter het verdrag zit, schatte dat het nationaal inkomen van geïndustrialiseerde landen in 2010 ten gevolge van Kyoto tussen de 0,2 en de 2 procent lager zal zijn. Voor Nederland een bedrag tussen de 800 miljoen en de 8 miljard euro. Minister Margreeth de Boer van Milieu schatte in 1998 dat de extra maatregelen van Kyoto de overheid, het bedrijfsleven en de consument samen 1,4 miljard euro in 2010 zouden kosten. Een berekening die later door enkele Nederlandse universiteiten en het RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, werd gemaakt, kwam lager uit: 0,2 procent van het bruto binnenlands product ofwel 800 miljoen euro. Andere schattingen komen aanzienlijk hoger uit. Volgens het Amerikaanse onderzoeksinstituut Dri-Wefa zal het negatieve effect voor Duitsland en Groot-Brittannië 5 procent van het bruto binnenlands product bedragen en voor Nederland 3,8 procent, ofwel 15 miljard euro. Voor alle duidelijkheid: eik jaar opnieuw. Om een idee te geven hoe groot dat bedrag is: na twaalf jaar kan er de hele Nederlandse staatsschuld mee worden afgelost. Ook schatte het instituut dat er in Nederland 240.000 banen zullen verdwijnen. De onduidelijkheid in de schattingen heeft onder meer te maken met onzekerheid hoe landen hun Kyoto-doelstellingen gaan invullen. Er bestaat een levendige handel in emmissierechten. Natuurlijk verbruikt Nederland in vergelijking met een Afrikaans land enorm veel energie per hoofd van de bevolking, maar vergeleken met energie slurper Amerika zijn wij al behoorlijk efficiënt: het lage fruit is al geplukt. Mede daarom koopt Nederland emissierechten in Oost-Europa. De besparingen op de uitstoot van broeikasgassen aldaar tellen mee voor de Kyoto-doelstellingen. Zo heeft Nederland onlangs 25 miljoen euro betaald voor de modernisering van een waterkrachtcentrale in Roemenië, een omvorming van een kolencentrale naar een biomassacentrale in Hongarije en nog twee andere projecten. Omdat de fabrieken en energiecentrales in Oost-Europa en in de Derde
Wereld technologisch ver achterlopen op die in Nederland, is het in die
landen veel goedkoper om CO2 reducties te realiseren. Maar daar staat
weer tegenover dat een euro die in Hongarije wordt geïnvesteerd in
Nederland min der spin-off (zoals werkgelegenheid) schept. Kortom, een
moeilijke vergelijking met veel onbekenden. Lomborg: 'Omdat de opwarming van het klimaat vooral de landen in de Derde Wereld raakt, moeten we ons afvragen of Kyoto de beste manier is om hen te helpen. Het antwoord is nee. Voor de kosten van Kyoto in 2010 zouden we in één keer het grootste probleem op aarde kunnen oplossen: we zouden ieder mens op aarde schoon drinkwater en wc's kunnen geven. Dit zou twee miljoen levens redden en een half miljard ernstige ziekten per jaar voorkomen. En eik daaropvolgend jaar zouden we weer zoiets moois kunnen doen.' De werkelijkheid is nog dramatischer dan Lomborg aangeeft. Als de theorie van klimaatverandering door het broeikaseffect klopt, moet de uitstoot van kooldioxide en methaan met 50 tot 70 procent worden teruggebracht. Het Kyoto Protocol is, zoals het Europese Milieubureau onlangs nog vaststelde, niet meer dan 'een eerste bescheiden stap' in die richting. En zelfs dat eerste stapje verloopt niet bepaald vloeiend. Een recent
rapport voor de Europese Commissie voorspelde dat de doelstellingen in
Europa bij lange na niet zullen worden gehaald. Idem voor Nederland. Als
Nederland Kyoto haalt, komt dat alleen maar door investeringen in het
buitenland. De binnenlandse uitstoot van CO2 is niet gedaald ten
opzichte van 1990, maar juist gestegen. De logische consequentie hiervan is dat één Kyoto niet genoeg zal zijn. Ook het VN-bureau dat achter het verdrag zit, heeft dat al kenbaar gemaakt. Het Kyoto Protocol wil 5 procent reductie van broeikasgassen in 2010, terwijl 50 tot 70 procent reductie nodig is. Dat betekent tien tot veertien nieuwe Kyoto's. Voeg daaraan toe dat die 5 procent in 2010 niet gehaald wordt en dat lang niet alle landen meedoen aan het Protocol, en het is niet gewaagd om te veronderstellen dat de totale investeringen om de eventuele opwarming van het klimaat door het broeikaseffect te bestrijden twintig tot veertig maal het bedrag van dat ene Kyoto zullen beslaan. Wie daarmee gaat rekenen, komt op absurde getallen uit. Het zou bijvoorbeeld tientallen procenten van het Nederlandse nationale inkomen opslokken en wereldwijd jaarlijks 4.000 miljard euro kunnen kosten. Of het ooit zal komen tot een tweede, laat staan twintigste Kyoto, is overigens de vraag. Lang niet alle landen in de wereld hebben het Kyoto-verdrag ondertekend. De Verenigde Staten, verantwoordelijk voor meer dan een kwart van de broeikasgasuitstoot, zullen het niet ondertekenen. Rusland en Canada konden slechts met moeite over de streep worden getrokken en zullen waarschijnlijk een volgende keer weigeren. En sinds de klimaatconferentie van oktober 2002 in New Delhi staat vast dat de Derde Wereld niet mee zal werken aan de ambitieuze doelstellingen om 50 tot 70 procent van de emissies te reduceren. De Derde Wereld ziet in dat zij dan nooit uit het slop komt en vindt begrijpelijkerwijs dat het rijke Westen Kyoto 2 tot en met 20 voor zijn rekening moet nemen. Ten slotte, waarom is dit allemaal ook alweer begonnen? Omdat door het broeikaseffect het klimaat in het jaar 2100 met 4,5 graden opgewarmd zou worden en dat gepaard zou gaan met een grote zeespiegelstijging en andere klimaatproblemen. Sommige wetenschapsmensen en veel politici doen het voorkomen dat dit alles keihard bewezen is. Dat is niet zo. De klimaatkunde staat bol van de onzekerheden. Natuurlijk is er de afgelopen decennia (mede dankzij de commotie over het broeikaseffect) veel over het klimaat ontdekt, maar met elke ontdekking groeit het besef dat er nog veel meer is dat we niet weten. Klimaatdeskundigen kunnen de meest simpele vragen niet beantwoorden: ze weten niet of wolken afkoelen dan wel verwarmen, ze weten dat de lucht vochtigheid stijgt bij een opwarming van de aarde, ze weten dat dit leidt tot meer sneeuwval bij de polen, maar ze weten niet of dit meer, minder of gelijk is aan de hoeveelheid ijs die zal smelten door de hogere temperatuur. Natuurlijk, het is logisch dat de klimaatkunde geen antwoord heeft op dit soort vragen. Het is een tamelijk jonge wetenschap en het klimaat zit razend ingewikkeld in elkaar (kijk maar hoe moeilijk het weer zich laat voorspellen, ondanks al die steeds slimmere computers). Maar dan gaan we toch met z'n allen geen honderden miljarden euro's uitgeven op basis van voorspellingen uit zo'n onrijpe discipline? Temeer omdat we ook weten dat de zon een veel grotere invloed heeft op ons klimaat dan een eventueel broeikaseffect. Gaan we straks ook een verdrag sluiten om eventuele veranderingen in de zon te bestrijden? Kyoto is geen alternatief voor dijkophoging. De zeespiegel zal in onze contreien sowieso stijgen We zijn nu eenmaal afkomstig uit een ijstijd waarin de zeespiegel aanzienlijk lager stond. Voeg daarbij dat de ijskap tijdens de laatste ijstijd Noord-Europa naar beneden heeft gedrukt en de rest van Europa (waar Nederland net bij hoort) naar boven. Europa is zich daarvan nog steeds aan het herstellen, wat tot gevolg heeft dat Scandinavië elke eeuw een tikje stijgt en Nederland daalt. Onze zeespiegel blijft dus onherroepelijk doorstijgen, hoeveel Kyoto's er ook komen. De theorie van het broeikaseffect is een nauwelijks verholen aanval op het economisch stelsel zoals dat nu bestaat in grote delen van de wereld. Dat komt omdat de voornaamste schuldige aan het broeikaseffect, het gas kooidioxide, nauw gekoppeld is aan vrijwel elke menselijke activiteit. Bijna alles wat mensen doen, inclusief ademhalen, brengt kooldioxide voort. Als het broeikasverhaal klopt, moet ook de hele wereldeconomie op de schop. Misschien, heel misschien, zal dit ooit in een verre toekomst nodig zijn. Erg waarschijnlijk is dit niet. Vermoedelijk zit de aarde slimmer in elkaar dan de klimaatdeskundigen nu denken. Zou de planeet die er al miljarden jaren was vóór onze voorouders uit de boom klommen, zo snel van slag raken als wij per ongeluk op een verkeerd knopje drukken? Nee, voorlopig is er nog tijd genoeg om het probleem, als er al sprake is van een probleem, grondig uit te zoeken. Kyoto heet het begin van een antwoord te zijn op het broeikaseffect. Een oplossing voor een verondersteld probleem. Als zodanig is het erger dan het euvel zelf. De voorstanders van Kyoto schermen vaak met grote woorden. Die zijn hier inderdaad op hun plaats. Ten behoeve van onze kinderen en kindskinderen, met het oog op de duurzaamheid van de economie, uit compassie met de Derde Wereld, moet Nederland uit dit rampzalige verdrag stappen. Simon Rozendaal Dit artikel is eerder gepubliceerd in Elsevier, op 8-2-2003.
Van het jaarlijkse energieverbruik in Nederland wordt maar ongeveer 10% gebruikt voor de opwekking van alle elektriciteit die via ons openbare net geleverd wordt. Let wel! Voor de opwekking!!! Voor de duidelijkheid; Alle in 1997 geleverde elektrische energie bedroeg 9.132.000 kWj (kilowattjaar) of te wel 9.132 MWjaar. Een windturbinepark met een geinstalleerd vermogen van 60 MW (Het grootste Windturbinepark van Europa bij Delfzijl zuidoost) met een werkelijk rendement van 20% (werkelijk dus maar ongeveer 12 MW) zal dus nagenoeg niet meetbaar zijn in de elektriciteitsbijdrage laat staan in het terugdringen van CO2 en SO2. De elektriciteitsproductie door dit "grootste park van Europa" zal aan de beperking van de totale mondiale CO2-uitstoot werkzaam zijn voor een veertigmiljoenste deel. Duurzame energie komt voor 77% uit vuilverbranding, voor 11% uit biogas uit afval en voor 9% uit wind. Duurzame energie voorziet voor 1,5% in onze energiebehoefte. Dus, het effect op de CO2 uitstoot en het verbruik van fossiele brandstoffen zal onmeetbaar klein zijn. Niemand mag resultaat verwachten van het aanpakken van 1/700ste deel van een probleem. Het stimuleren van windturbines is dan ook een louter symbolische daad, bedoeld om de goede wil van de overheid te tonen en voor velen van ons om het milieu-schuldgevoel af te kopen. Om een indruk te geven wat de bijdrage van Groningen zal zijn in 2020 afgewogen tegen de investeringen die meer dan Fl 300.000.000,00 zullen bedragen.
Hierbij moeten we weten dat 1 MW ongeveer 1 ton vermindering van SO2 teweeg brengt en dat in het geval van Delfzijl, op 30 meter afstand van het "schone windpark", een SO2-uitstoot van 560 ton wordt gedoogd. Plannen voor windenergie kosten Nederland miljarden
Het is geen gemakkelijke rekensom die prof. Lukkes maakt in het boekje dat de frivole naam Iewiewaaiweg draagt. Vast staat in elk geval dat met de bouw van windturbines de import van ´vuile´ stroom kan worden voorkomen, waardoor Nederland dichterbij het halen van Kyoto-doelstellingen met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen komt. Lukkes schat de milieubate op 2,6 miljard; een waarde die is gecorrigeerd voor het feit dat het ´windaanbod´ sterk wisselvallig is en kolen- en gascentrales dus regelmatig moeten bijspringen. Door de beginnende handel in emissierechten is het relatief eenvoudig een waarde toe te kennen aan een ton CO2 (het belangrijkste broeikasgas). De kosten van windenergie zijn veel lastiger te bepalen, vooral waar het de maatschappelijke kosten betreft. Zeker is het dat de meeste Nederlanders windmolens als lawaaiige ´horizonvervuiling´ beschouwen. Wetenschappelijk gezien zijn er twee methoden om de schade te bepalen. Vraag omwonenden wat zijn bereid zijn te betalen om de molens kwijt te raken (´willingness to pay´), of vraag ze wat ze aan geldelijke compensatie willen hebben om zich er bij neer te leggen (´willingness to accept´). Lukkes komt op basis van veldonderzoek tot een ´geografische´ kostenpost van 5,4 miljard, deels veroorzaakt door dalende huizenprijzen in de buurt van windmolens. „Zoals kolen onontbeerlijk zijn voor kolencentrales, zo worden omgevingskwaliteiten verbruikt voor het opwekken van windenergie”, aldus de emeritushoogleraar. „Wind is duurzaam, windenergie is dat bepaald niet.” De totale (contant gemaakte) kosten van windenergie schat Lukkes op 29,2 miljard, een bedrag dat voor 80% bestaat uit de subsidiestroom die hij over de periode 2003-2020 verwacht. Gezien de eerder genoemde bate van 2,6 miljard resulteert een ´maatschappelijk verlies´ van 26,6 miljard, ervan uitgaande dat 80% van het totale windenergie-vermogen in 2020 op zee wordt opgewekt. Daarbij is geen rekening gehouden met extra vogelsterfte. Om te begrijpen waar we het over hebben als we praten over opgewekte energie dan zullen we het eens rekenkundig moeten benaderen, hier gaan we de emotie uit de discussie halen. "Mensen die het zo goed met het milieu menen, dat kunnen toch geen leugenaars zijn!" De cijfers en rekenmethoden zijn in de meeste gevallen afkomstig van de sector zelf. Allereerst moeten we begrijpen wat het essentiële verschil is tussen vermogen, dus kilowatten of megawatten en de daarmee wel of niet opgewekte energieën, dus kilowatturen of megawatturen. En hier draait een groot deel van het hele volksbedrog om. Het bedrog waar iedereen in trapt, gewoon omdat men nooit werkzaam is geweest in "het vak". Altijd worden er van windparken indrukwekkende kilowatt- of zelfs megawatt getallen genoemd, meestal in direct verband met het grote aantal gezinnen die hiermee van energie worden voorzien. Nooit wordt erbij verteld dat met zulke opgestelde vermogens door de variabele windsnelheid gemiddeld in Nederland met maar 20% van zo'n vermogen echt energie, dus kilowatturen opgewekt worden. En hier zit dat bedrog nu juist in! Het gaat niet om kilowatten maar om kilowatturen!!!!! Het voorgaande even lezende dient gezegd te worden; technisch en qua product zijn de meeste Nederlandse windmolens van zeer goede en ingenieuze kwaliteit. Het is alleen een absolute onmogelijkheid om met nagenoeg niets wegende lucht die technisch gesproken een zeer lage en bovendien sterk variabele snelheid heeft betrouwbaar en voorspelbaar een hoeveelheid energie (kilowatturen dus!!) van enige importantie op te wekken. Dit kan niet, eenvoudig door natuurkundige wetten en dat zal ook nooit kunnen. Maar dit zal u nooit door de windsector verteld worden. Ze kijken wel uit! Dan valt het hele kaartenhuis in elkaar. Om te weten of windmolens/windturbines iets zinnigs doen voor het opwekken van energie moeten we kijken naar de techniek. Wat zijn de technische eigenschappen van windmolens en wat speelt zich in het Nederlandse elektriciteitsnet af. Alles getalsmatig bekeken natuurlijk. Zonder getallen is het praten over windmolens/windturbines zinloos. 1. Een windmolen haalt zijn mechanische vermogen uit: de massa(het gewicht) van de totale hoeveelheid lucht die per seconde door de propellercirkel stroomt en tegelijkertijd uit de derde macht van de snelheid van deze wind. De massa, het gewicht, van lucht is bijzonder klein: 1,21kg/m³. Ook de snelheid van de lucht is naar technische begrippen heel erg klein: het maximale vermogen van een windmolen wordt meestal opgewekt bij een windsnelheid van 14 tot 15 m/sec. Beaufort 6. Dat is ongeveer 50 tot 54 km/uur. Naar technische begrippen niet meer dan "een zuchtje". Daarom zijn er van die enorme bouwsels nodig om, alweer naar technische begrippen, een minuscuul vollastvermogentje op te wekken. En dan komt de ellende nog, de doodsteek voor de bruikbaarheid van zo'n machine voor elektriciteitsopwekking: dat vermogen dat evenredig is met de derde macht van de windsnelheid! Daalt de windsnelheid beneden de, laten wij het zo maar noemen, "de vollastsnelheid" dan daalt het opgewekte vermogen uiterst scherp. Even zo'n simpel sommetje: aangenomen vollastsnelheid van de wind is 15 m/sec. Die snelheid zakt iets, tot b.v. 10 m/sec, dus tot 2/3, dan zakt het vermogen tot 2/3 x 2/3 x 2/3 = 30%, dus dat is echt niet veel meer. Bij halve windsnelheid tot 1/2 x 1/2 x 1/2 = 12,5% Voor een 600 kW machine daalt het vermogen dan tot een miezerige 75 kilowatt! Nauwelijks om nog over naar huis te schrijven en bij nog minder wind wordt de machine dan ook inderdaad van het net afgeschakeld.
Hieronder de opbrengst van 442 Nederlandse windmolens verdeeld over 36 windparken. Het gaat nagenoeg allemaal om windparken op lokaties die als "windrijk" beschouwd kunnen worden. Namelijk direct aan of vlak aan de kust. Het betreft machines van 225 tot 1000 kW.
Het hele overzicht is zeer de moeite waard eens met aandacht te bezien. Er zijn windparken bij met 10 en 11 molens van 500 kW die niet meer presteren dan gemiddeld 7 tot 9% Dus niet meer dan het vermogen van een bescheiden motorfiets! Dit hele overzicht van het LBW (Landelijk Bureau voor Windenergie) bevestigd wel op zeer indringende wijze de realiteit van de "hulpeloosheid" van windmolens voor de opwekking van een zinnige hoeveelheid elektriciteit voor het Nederlandse net.
Windkracht / Windsnelheid
Windmolens zijn buiten bedrijf: bij windkracht onder Beaufort 4: dan leveren ze toch niets meer op, bij windkracht boven Beaufort 7: dan lopen ze kans op zware averij. Leeuwarder Courant, Vrijdag 26 mei 2000 Naschrift van Prof. P. Lukkes Op dit moment draagt windenergie minder dan 1/1000e deel bij aan de energievoorziening van Nederland. (In 1998 was dat om precies te zijn: 2,3/3024= 1/1300e deel). De invloed van het huidige windturbinebestand in Nederland op de stijging van de zeespiegel in de komende eeuw is dus maximaal 1/1000e van 5 millimeter=1/200e millimeter. De invloed van alle windturbines die er nu op de wereld staan zal maximaal het zevende deel van één millimeter bedragen!. (Omdat de stijging lang niet uitsluitend door het verbranden van fossiele brandstoffen wordt veroorzaakt, zijn deze cijfers voor de turbines in werkelijkheid veel te hoog!!).
Windenergie en de zeespiegelstijging door Cor Bakker (literatuuronderzoeker energiebronnen) Om de voordelen van windenergie aan te prijzen laten enthousiaste voorstanders van ongebreidelde toepassing van deze vorm van stroomopwekking zich nog al eens verleiden tot uitspraken die op zijn zachtst gezegd in belangrijke mate bezijden de waarheid zijn. Zo wordt in het artikel over windenergie in Duitsland in de krant van zaterdag 6 mei gesuggereerd, dat het Friese platteland door het broeikaseffect binnen honderd jaar onder water staat, als we hier te lande niet als de wiedeweerga windmolens gaan bouwen. Het genoemde voorbeeld wekt de indruk een door eigen belang ingegeven bangmakerij te zijn, die feitelijk nergens op is gebaseerd. Maar misschien berust de aangehaalde uitspraak gewoon op een wijdverbreid misverstand dat simpel met de hier volgende werkelijkheid, uit de wereld is te helpen. Nederland draagt mondiaal gezien voor minder dan 1 procent bij aan de door mensen veroorzaakte uitstoot van CO2. Er zijn aanwijzingen dat de zeespiegel de komende honderd jaar met circa 50 cm zal stijgen. Als er, zoals velen aannemen, een direct verband bestaat tussen de toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer, de opwarming van de atmosfeer en het stijgen van de zeespiegel, dan is bij gelijkblijvend percentage, Nederland in 2100 verantwoordelijk voor 1 procent van 50 cm, dat is 5 millimeter stijging van de zeespiegel. Al zou in de komende honderd jaar in Nederland alle energie met wind worden opgewekt, dan nog zou het matigend effect op de stijging van het zeeniveau niet meer kunnen bedragen dan die luttele 5 millimeter! Toch moeten we wereldwijd blijven zoeken naar doelmatige, duurzame methoden van energieopwekking. Daarbij moet men zich er wel van bewust zijn dat alleen op zeer lange termijn, wat het broeikasgas CO2 betreft, resultaten zijn te verwachten. Tenminste de eerste honderd jaar zullen die zich slechts beperken tot vermindering van de CO2-uitstoot en niet tot vermindering van de concentratie in de atmosfeer zelf. In 2100 is die bij het milieuvriendelijkste energiescenario zelfs nog éénderde hoger dan in het referentiejaar 1990. (Bron: Wereldenergieconferentie 1993). Wat windenergie betreft, heb ik al eerder op deze plaats naar voren gebracht dat rendementsverbetering bij stroomopwekking door fossiel (vooral gas)gestookte centrales, energiebesparende maatregelen en energiebewust consumentengedrag, tienduizenden megawindturbines overbodig maken. Een extra probleem bij windturbines is het hoge energieverbruik bij de fabricage van grote industriële molens. Door de lage energiedichtheid van de stromende lucht en de relatief lage omwentelingssnelheid van de rotor, zijn generatoren van extreme grootte nodig, die bij komende generaties megamolens honderden tonnen wegen. Omdat allemaal te kunnen dragen zijn weer zware torenconstructies en fundamenten vereist. Voor dit alles is veel materiaal nodig, zoals koper, ijzer, kunststoffen en beton. Als gevolg hiervan kunnen de energiekosten voor de winning en fabricage van het basismateriaal en voor de fabricage van de installatie zelf volgens een ruwe schatting, al gauw de helft bedragen van de totale kosten van de turbine. Als de kosten van een gesubsidieerde turbine in tien jaar terugverdiend kunnen worden, dan lijkt het niet overdreven te veronderstellen dat de turbine de helft van die tijd - dus vijf jaar - nodig heeft om het aantal kilowatturen die nodig waren voor de totale fabricage, terug te verdienen. Bij een veronderstelde levensduur van vijftien jaar, waarvan de eerste twee jaar met kinderziektes en de laatste vier jaar met ouderdomsproblemen gepaard kunnen gaan, blijven nog negen jaar over, waarin naar verwachting, probleemloos stroom wordt geproduceerd. Hiervan zijn vijf jaar nodig om de fabricagekilowatturen terug te verdienen. Er resten de molen dan nog een schamele vier jaar om een theoretische positieve bijdrage aan de oplossing van het broeikasprobleem te leveren. Een door een 'onafhankelijk' instituut opgemaakte, nauwkeurige energie-analyse kan uitwijzen of deze schatting te optimistisch of te pessimistisch is. Nog beter ware het dat de overheid voor de Nederlandse situatie het hele scala van energiebesparingsmogelijkheden tegen het licht houdt en op basis van hun effectiviteit en besparingspotentieel, haar energie(subsidie)beleid bepaalt. Dan zal denk ik blijken dat niet alles wat als 'groen' wordt gepresenteerd, die kwalificatie verdient.
CO2 veroorzaker van het broeikaseffect? Uit Milieu, zin & onzin Drs. H.J. Beens, isbn 90-336-0437-x Vrijwel alle energie die we op aarde gebruiken komt uit zogenaamde fossiele brandstoffen: bomen en planten, lang geleden gegroeid, maar in de grond omgezet in de fossiele brandstoffen. Wat vroeger gegroeid is en dus CO2 heeft opgenomen, zou bij verbranding nú het CO2-gehalte in de lucht kunnen vergroten. Men heeft geconstateerd dat bij méér CO2 in de lucht de groei van bomen en planten sneller gaat. Er wordt dan ook weer méér CO2 opgenomen totdat het evenwicht weer is hersteld. Een groter CO2-gehalte zou meer warmte vasthouden: broeikas en rampen. Het broeikaseffect van de dágelijkse schommelingen van het waterdampgehalte is echter groter dan van de totale toename van CO2 gedurende de laatste eeuw. Lucht is veel zwaarder dan men denkt. Eén kubieke meter lucht weegt al 1,3 kilo. Alle lucht samen 5 miljoen ton, plus 9 nullen erachter... Als de zon erop straalt warmt deze bestraalde massa op en s'nachts wordt die warmte weer afgestaan. Een prachtig evenwicht. Met gelukkig al eeuwenlang vrij regelmatige temperaturen op het aardoppervlak. Het aandeel van CO2 in deze massale warmtewisselingen wordt voornamelijk bepaald door de hoeveelheid die ervan in de lucht zit. En hoeveel is dit? 0,034%!! Over de laatste eeuw is er een CO2 toename geweest van 30% of wel 0,01% van het luchtmengsel. Politiek wordt er een verdubbeling verondersteld in de komende eeuw - dus een stijging van 0,034%. Zou deze toename het temperatuur-evenwicht van de 99,966% van de massa verstoren en het aarde-verwarmend extra-broeikas-effect en klimaatveranderingen veroorzaken? De verontrustende snelle opwarming van het aardoppervlak' over de laatste eeuw bedroeg in werkelijkheid 0,6 °C. (vrom 95188) De door computers berekende temperatuurstijging als gevolg van verondersteld 'menselijk' extra CO2 van 0,02 graad per jaar voor de komende eeuw was voor de wereldmythe en dus ook voor de Overheid voldoende om de bedreigende verwachting te publiceren "dat in 2030 de zeespiegel wereldwijd met ongeveer twintig centimeter zal zijn gestegen en eind volgende eeuw met ongeveer 65 centimeter. Dit door warmte-uitzetting van het zeewater en het smelten van gletsjers en ijskappen". (vrom 95188) Vraagt iemand: "Wat is eigenlijk CO2?" Het antwoord zal zijn: "Veroorzaker van natuurrampen?", "Een giftig gas?", "Heeft dat te maken met broeikas, waardoor we oververhitting krijgen?", "Iets giftigs dat de Regering in de grond wil stoppen?" Grote milieu-advertenties en persberichten hebben ons dat zo bijgebracht. We weten niet beter. Iedereen zegt het toch? De visie van de Overheid is: "De CO2 uit de fossiele brandstoffen hoopt zich op in de atmosfeer en houdt warmte vast. Daardoor stijgt de temperatuur op aarde en dreigt een wereldklimaatverandering. Vele planten en diersoorten worden met uitsterven bedreigt, méér insectenplagen, mislukte oogsten, méér en nieuwe ziekten, overstromingen, enz." (vrom-advertentie 17.01.97) De dreiging van het rampen-scenario maakt de bevolking bereid mee te werken aan de terugdringing van CO2. Lokaal reiken vindingrijke milieubeschermers CO2-besparende ideeën aan. Veel tijd en geld wordt besteed aan grote en kleine CO2-projecten. De Overheid zelf zit ook niet stil. De heffing op de vorming van CO2, door de Overheid opgelegd, wordt willig door iedereen gedragen. Scheutige Rijkssubsidies voor CO2-bestrijdende ontwikkelingsprojecten - inmiddels voor een dikke miljard gulden - benadrukken de ernst van de zaak. Wát een moeite- en geldverspilling; wát een onnodige angsten en zorgen en wát een politieke moed is er nodig als eens zou blijken dat CO2 helemaal niets met een extra-broeikaseffect-door-menselijk-toedoen te maken zou hebben! Inmiddels worden wereldwijd, miljarden-kostende, maatregelen genomen om het CO2-gehalte in de lucht terug te dringen. Berust de wereldwijd overgenomen IPCC-conclusie dan op een mythe? Een 'foutje?' JA!! Laten we de nuchtere feiten op een rijtje zetten: Energie is de basis voor (door iedereen gezochte) welvaart. Wereldwijd wordt, snel toenemend, de noodzaak gevoeld om mens- en natuuraantastende milieuverontreinigingen die bij de winning van energie uit steenkool, olie en gas vrijkomen, te bestrijden. Vermindering van het vuilgehalte van de brandstoffen vóór verbranding is de meest voor de hand liggende oplossing. Hieraan is tot heden relatief weinig aandacht besteed. Beperking van energieverbruik is daarentegen 'in'. Vrijwillige beperking werkte niet. Lokale verplichte beperkingen, bijvoorbeeld door belastingheffingen, verstoorden het economisch evenwicht. Afspraken voor wereldwijd geldende maatregelen zouden nodig zijn. Bestudering van wereldklimaat-veranderingen is de laatste tien jaar een lonende nieuwe tak van wetenschapsbeoefening geworden. Er is tot zover maar één zekerheid betreffende het klimaat waarover iedereen het eens is: "Klimaatverschijnselen ontwikkelen zich binnen een zó uiterst complex systeem van onderling ingrijpende processen van chemische, fysische, biologische, meteorologische en geologische aard, dat op basis van de nu nog zeer beperkte kennis, serieus-wetenschappelijke lange-termijn voorspellingen niet mogelijk zijn." Recente pseudo-wetenschappelijke uitspraken kenmerken zich door eraan verbonden eigenbelang en onderlinge tegenstrijdigheid. "Het wel of niet optreden van een extra broeikaseffect door menselijk toedoen" is hiervan een voorbeeld. Door feitelijke metingen is vastgesteld: - dat de hoeveelheid CO2 in de lucht over de laatste 150 jaar met 30% is toegenomen. - dat de gemiddelde temperatuur op aarde over de laatste 100 jaar met 0,6 °C is gestegen. Politici geven hun voorkeur aan de volgende pseudo-wetenschappelijke theorie van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change): "De gemeten extra CO2 is door menselijk toedoen in de lucht gebracht en veroorzaakt de opwarming der aarde, met als gevolg klimaatveranderingen en natuurrampen". Genoemde pseudo-wetenschappelijke theorie gaat uit van twee veronderstellingen: - Dat inderdaad de toename van CO2 in de lucht door verbranding van fossiele brandstoffen zou worden veroorzaakt. en - Dat dit meerdere CO2 inderdaad de temperatuurstijging zou veroorzaken. Betreffende de toename van het CO2-gehalte in de lucht is geconstateerd: - Schommelingen van meer dan 30% vonden al in vroeger tijden plaats zónder dat CO2 gevormd door toedoen van mensen een rol speelde. - Het CO2-gehalte wordt bepaald door een zeer complex biologisch-geologisch systeem. Eventuele extra CO2 uit fossiele brandstoffen speelt daarbij een beperkte rol. Invloedrijke factoren zijn bijvoorbeeld: - de CO2-wisselwerking tussen lucht en water. In de oceanen is ca. 52 maal zoveel CO2 opgelost als er in de lucht voorkomt. - opname van CO2 door versnelde groei in de biosfeer. - ontgassing van de aarde en vulkaanerupties. - oceanen die warmer worden geven CO2 af. CO2-toename in de lucht zou dan een gevolg zijn van hogere temperaturen in plaats van de oorzaak. De temperatuurstijging in relatie tot het CO2-gehalte: - De temperatuurstijging over de eerste 40 jaar van deze eeuw was 0,4 °C bij een beperkte uitstoot van fossiel CO2. Daarna begint de CO2-uitstoot voor energie-winning grote vormen aan te nemen; in 25 jaar (1940 - 1965) het viervoudige. Maar de temperatuur over die periode daalde met ca. 0,15 °C, om in de laatste periode weer met 0,35 °C te stijgen. - De invloed op de temperatuur van andere natuurlijke factoren, zoals het waterdampgehalte, kortere zonnevlekkencycli en de enorme warmte-capaciteit van oceanen, maken verhoudingsgewijs het aandeel van CO2 in een eventuele opwarming verwaarloosbaar klein. Tot zo ver een aantal feiten. De (politieke) pseudo-wetenschappelijke (IPCC)-theorie is op zijn minst onwaarschijnlijk geworden. Politici hebben een wereldwijd beleid zó sterk vereenzelvigd met deze klimaattheorie dat het voor hen niet meer mogelijk lijkt te zijn een en ander op meer reële gronden bij te stellen. Het zou groot gezichtsverlies en verlies van forse belangen betekenen. De broeikascarrousel moet doordraaien! Zo is men op Wereld Klimaat Conferenties, zoals in Kyoto (1997), tot verplichtende CO2-beperkende energieafspraken gekomen die het wereldenergieverbruik omstreeks 2010 tot ca. 7% onder het 1990-niveau beperken. Zonder afspraken zou dat niveau ca. 65% hoger liggen. Door deze ingreep zou een stijging van het CO2-gehalte van 0,02 %(!) voorkomen worden. Is er één land dat dit nog serieus neemt en zijn industrieën stil gaat leggen om niets? Het is zinloos, politiek geconfereer over gebakken lucht! En men kan het weten. Wanneer de Wereld Klimaat Conferentie dezelfde krachten, invloed, tijd en middelen zou besteden aan vermindering van het vuilgehalte van de brandstoffen dan zou: al bij 1% lager vuilgehalte 13% méér energieverbruik mogelijk zijn bij gelijkblijvende vuiluitstoot of bij 10% meer olie- en gasproductie ter vervanging van ca. 20% bruin- en steenkool, de totale vuiluitstoot met ruim 100 miljoen ton (= 15%) verminderen. Eindconclusies: Effectieve bestrijding van het vuil ín de brandstoffen is nauwelijks van de grond gekomen. Deze mogelijkheid van 'méér energie bij lager vuiluitstoot' blijft nog vrijwel ongebruikt. Economie en milieu smeken om aandacht hiervoor. Alleen al de complexiteit van het klimaatgebeuren maakt de stelling dat fossiel CO2 klimaatcatastrofes veroorzaakt een lachertje. Er is geen broeikasprobleem door menselijk toedoen. Fossiel CO2 is onschuldig. Menselijke pogingen om het CO2-gehalte in de lucht te beperken ter voorkoming van broeikasopwarming zijn even onzinnig als de Noordzee te willen afdekken met plasticfolie om de hoeveelheid waterdamp in de lucht terug te dringen. Er is wél een menselijk probleem: "Hoe kan zo'n fundamenteel CO2-wanbegrip zó hardnekkig aanvaard blijven?" Is de naakte waarheid politiek niet meer haalbaar?
Ir J.A. Halkema Theo Mann-Bouwmeesterlaan 86 26 maart 2005 2597 HJ Den Haag tel-fax: 31.(0)70-3244153 e-mail: jahalkema@compuserve.com Windmolens - eigenschappen - opbrengsten - bedrog. (een korte samenvatting) Zowel de eigenschappen als de opbrengsten van windmolens zijn volledig afhankelijk van hun zwakke “aandrijvend medium”, de wind dus. Heel simpel gezegd: alleen het zwakke aandrijvende vermogen dat de wind aanvoert wordt via de propellers en de generator in de windmolen omgezet in elektriciteit. Alleen in de gevallen dat er relatief veel vermogen door de wind aangevoerd wordt zal er ook relatief veel elektriciteit opgewekt kunnen worden. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook: wordt er maar zeer weinig of zelfs nauwelijks iets aan vermogen aangevoerd dan kan er ook nagenoeg geen elektriciteit opgewekt worden. Dat is toch logisch. Wanneer u de trappers van uw fiets nauwelijks gebruikt zult u ook nauwelijks vooruit komen. Iedereen weet: de windsterkte varieert gedurig onvoorspelbaar tussen nul (bij windstilte) en zeer sterk gedurende storm. Stormkracht is voor een windmolen gevaarlijk in verband met mogelijke breuk van de propellerbladen. Dan wordt de molen ook ‘uit de wind’ gedraaid en wekt hij geen stroom op. Bij windkracht onder Beaufort 4 wekt de molen nauwelijks of geen elektriciteit op en wordt daarbij dan ook meestal afgeschakeld. Het heeft geen zin het ding (met tandwielkast en generator) te laten draaien wanneer er toch geen elektriciteit wordt opgewekt. Daarom produceert een windmolen alleen elektriciteit tussen windkracht Beaufort 4 (uiterst minimaal dan) en Beaufort 8 tot hoogstens B 9. (Kijkt u maar eens naar het weerbericht hoe zelden de wind nu precies tussen die B 4 = ‘matige wind’ en B 9 = ‘storm’ waait) Het door de propellers aan de generator doorgegeven aandrijvend vermogen is tot overmaat van ramp extreem sterk afhankelijk van de windsnelheid. Nog veel sterker afhankelijk dan alleen maar evenredig met de windsnelheid. Namelijk volgens de ‘derde macht’. Dus bij halve windsterkte (ca. B 5) daalt het vermogen niet naar de helft maar naar 1/2 x 1/2 x 1/2 = 1/8. Dus bij halve wind, die B 5, naar nog maar een achtste deel. En dat is nog maar 12 procent! Hieruit ziet u : de windmolen wekt gedurende een jaar in de verste verte niet continu met vol vermogen elektriciteit op. Door die zeer sterke variaties van dat vermogen tussen vaak nul of maar héél weinig, en zelden maximaal zal gemiddeld over een heel jaar met niet meer dan één zesde deel van vol vermogen elektriciteit opgewekt worden. Dit getal één zesde is een ervaringsgetal als gemiddelde voor de windmolens in Nederland. Op uitzonderlijk windrijke locaties kan dat getal (productiefactor genoemd) wel eens iets hoger zijn. Ook zal dat getal iets hoger zijn wanneer er buitengewoon hoge molens gebouwd worden. Maar rekent u als gemiddelde voor Nederland met één zesde deel van wat met maximaal vermogen opgewekt zou kunnen worden dan zit u er niet ver naast. ( Bedenk wel: in de meeste gevallen zal het zelfs minder zijn!) De te bereiken productiefactor is door dat altijd sterk wisselende vermogen nooit precies te voorspellen. Voor dat getal zult u dan ook nooit een garantie krijgen. Het zal altijd een gok zijn. --- De kosten. En waarom die zo hoog zijn: Het voorgaande betekent dat er voor de bouw van een windmolen altijd een prijs betaald zal moeten worden die gerelateerd is aan dat maximale vermogen (dat is nu in 2005 circa 1,1 tot 1,2 miljoen euro per 1000 kW) terwijl er gemiddeld over een jaar met maar één zesde van dat maximale vermogen elektriciteit opgewekt wordt! Dus men betaalt voor 100 % vermogen, maar de molen produceert gemiddeld maar met 17 % (dat is één zesde)! Je kan dus zeggen: 83 % van het besteedde geld is eigenlijk weggegooid...Bovendien: ziet u voor windmolenbouw ooit een openbare aanbesteding? Verdacht nietwaar? Lijkt dat niet erg op zoiets als Windmolenfraude? --- De productie van elektriciteit in vergelijking met het totale verbruik in Nederland: Het is belangrijk dat u onthoudt dat het totale gebruik van elektriciteit in Nederland opgewekt wordt door een groot aantal zeer krachtige centrales. Die draaien met elkaar, en als gemiddelde over een jaar, met circa 13.000.000 kilowatt. (Dertien miljoen kilowatt!) Dit getal is gebaseerd op getallen van het CBS, maar dit neemt ieder jaar met 2 tot 3 procent toe. Dus bedenk wel: ieder volgend jaar moeten al die centrales weer zoiets als 260.000 tot 390.000 kilowatts méér opwekken! Van die dertien miljoen kilowatt wordt circa twintig procent opgewekt in de bruinkoolcentrales in Duitsland en (een nog aanzienlijk groter deel daarvan) in de kernenergiecentrales in België en Frankrijk. Alles omdat Nederland al jaren verzuimde voldoende centralecapaciteit bij te bouwen. We rekenen nu even uit wat de bijdrage aan onze elektriciteitsbehoefte in Nederland is voor drie grote (!) typen windmolen. Van 1000 kW, van 2000 kW en van 3000 kW maximaal vermogen. We rekenen dus met een productiefactor van 17 %, zijnde één zesde. Zoals hierboven uitgelegd. De 1000 kW windmolen produceert dan gemiddeld met 170 kW (kilowatt). Dat is 1,3 honderdduizendste deel van totaal Nederlands gebruik. De 2000 kW windmolen produceert gemiddeld met 340 kW (kilowatt). Dat is 2,6 honderdduizendste deel van totaal Nederlands gebruik. De gigantisch grote 3000 kW windmolen produceert gemiddeld met 510 kW (kilowatt). Dat is 3,9 honderdduizendste deel van totaal Nederlands gebruik. Dit zijn de miserabele getallen die door de promotors van windmolenbouw altijd zorgvuldig verzwegen worden ! En dat heet in normaal Nederlands: ‘pure misleiding’. Vergelijkt u deze minimale bijdrage aan ons nationale verbruik met wat er ieder jaar door toename van ons verbruik nodig is dan ziet u dat alleen om die toename van het gebruik bij te houden er ieder jaar tussen de 500 en 780 van die gigantische 3000 kW windmolens bijgebouwd zouden moeten worden. Dus zo ongeveer twee tot drie per werkdag! Jaar in - jaar uit... Nu zullen die propagandisten van windmolens vaak moord en brand roepen omdat die hier genoemde productiefactor volgens hun veel te laag is, maar dan zult u toch wel doorzien dat ook bij een iets hogere productiefactor het beeld van die bijdrage aan onze totale behoefte maar ‘een haartje’ beter zou worden. Bovendien zult u daarvoor nooit, absoluut nooit, een garantie krijgen...
De onzinnige aanduiding ‘genoeg voor zus of zoveel huishoudens’ moet u nooit accepteren! Die is namelijk ook alweer alleen bedoeld om u te misleiden! De propagandisten van windmolenbouw zullen nooit de opbrengst van de windmolens in de enige echt bestaande meeteenheid kilowatturen opgeven maar altijd in die onzinnige en nooit te controleren aantallen ‘huishoudens’. Hoe zou nu ooit te controleren zijn of dat beetje door de windmolens opgewekte stroom nu precies, alleen en uitsluitend, naar ‘huishoudens’ zou gaan?? Dus blijkbaar niet naar al die honderden of vaak duizenden andere gebruikers van elektriciteit? Niet naar de winkels, het ziekenhuis, het rioolgemaal enz. Hoe kan dat? Dat zou toch je reinste onzin zijn. En zouden huishoudens nu echt blij zijn met levering door een windmolen die dan weer wél iets levert, dan weer niets! Nee, iedereen, iedere verbruiker, krijgt dus doodgewoon ‘grijze stroom’ uit het stopcontact. Of het nu een huishouden is of dat ziekenhuis of dat rioolgemaal. Dat u bij u thuis uit die windmolen ooit ‘groene stroom’ zou krijgen is ook alweer kletspraat. Zegt u maar gewoon: bedrog. Elektriciteit wordt toch ook nooit anders met klanten afgerekend dan met een rekening in echt gemeten en te controleren kilowatturen. Veronderstel dat u voor uw rekening thuis de aanduiding krijgt: “U hebt dit jaar voor 1,3 huishoudens gebruikt. Dus daarvoor moet u betalen!” Dan vraagt u toch ook of ze gek geworden zijn... U mag dus nooit die onzinnigheid van zus of zoveel ‘huishoudens’ van de propagandisten accepteren! Altijd moet u zo’n man vragen: ‘Hoeveel kilowatturen levert het ding? En dat natuurlijk mét uw garantie!’ Die uitspraak ‘huishoudens’ is alleen bedoeld om indruk te maken. Om u te misleiden. Het zijn gewoon gladde verkooppraatjes. Nergens anders voor. Ik hoop dat u dat nu ook wel zal begrijpen. Een opgave in ‘huishoudens’ is net zo krankzinnig als de uitspraak: 'De afstand van hier naar Parijs is 130. 000 stokbroden’. Misschien zou het nuttig zijn dit verhaal aan alle belangstellenden door te gegeven. Wat uitvoeriger informatie, met o.a. door de Kema gemeten opbrengsten, vindt u overigens in het boek ‘Windmolens? Zinloze machines!’ - ISBN 90 5959 015 5. Zie verder volgende pagina 3. Zijn propagandisten van windmolens dan eigenlijk bedriegers?
Het is nog al wat om iemand als ‘bedrieger’ te kwalificeren! Dan zou er ‘moedwillige misleiding ten eigen bate’ moeten plaatsvinden. Laten wij bezien in hoeverre dit gebeurt bij het aanbevelen, het propaganderen, van de plaatsing van windmolens. Nu gaat het bij windmolens om apparaten waarvan het erg verleidelijk is om in te spelen op de nobele emoties van publiek dat geen enkel of, hoogstens, bijzonder weinig begrip van technische of natuurkundige wetten heeft. Immers opwekking van elektriciteit met schone en niets kostende wind lijkt bijzonder attractief. Wanneer het nu maar zo voorgesteld wordt dat hiermee geholpen kan worden de wereld te vrijwaren van een meest afschuwelijke toekomst dan is het te verwachten dat hordes van die ondeskundige idealisten en de maar in zeer geringe mate kritisch nadenkende mensen blindelings aan het dogma van het ‘grote nut’ van windmolens zullen geloven. En iedereen weet: geloven de mensen eenmaal aan een dogma dan zullen zij bijzonder verontwaardigd zijn over iedere aanbeveling nu eens hun nuchtere verstand te volgen. Eens na te denken en ook eens een andere waarheid te accepteren. Ziehier alle mogelijkheden voor ‘bedriegers’ om hun slachtoffers er toe te brengen aan het grote nut van windmolens te blijven geloven. Daarvoor kunnen bedriegers al volstaan met het consequent verzwijgen van alle nadelen die windmolens nu eenmaal hebben. Die zijn immers, als technische apparaten, volledig afhankelijk van technische, of anders gezegd, natuurkundige wetten. En u kent waarschijnlijk ook het gezegde “de halve waarheid is een hele leugen !” Wat wordt nu altijd door de propagandisten aan eigenschappen van windmolens verzwegen, en daardoor als een hele leugen verteld? A. Zij produceren ten opzichte van wat er in een land aan elektriciteit nodig is extreem weinig. Voor bijdrage aan onze Nederlandse behoefte eigenlijk al onmeetbaar weinig. Dus, helemaal, als bijdrage aan het mondiale energiegebruik het bespreken niet eens waard. B. Dat extreem weinige wordt nog niet eens met één constante sterkte opgewekt maar gedurende een jaar met honderden onverwachte en natuurlijk onacceptabele onderbrekingen. C. Die miserabele opbrengst wordt door de propagandisten bewust verzwegen door hierover in de onzinnige en nooit te controleren meeteenheid ‘huishoudens’ te spreken. Zij weigeren zelfs deze opbrengst als deel van ons nationale gebruik in de enige bestaande en ook garandeerbare elektrische meeteenheden (kWh’s) op te geven. Dat zegt toch alweer genoeg... D. Bij hun propagandapraatjes die bedoeld zijn om door overheidsinstanties al voorgekookte besluiten tot plaatsing van windmolens doorgedrukt te krijgen geven zij nooit een uitleg over alle eigenschappen van windmolens. En dat noemen zij brutaalweg ‘informatieve bijeenkomsten’! Terwijl juist het selectief verzwijgen van ongunstige informatie daarbij hun doel is. E. Enige controleerbare garantie over opbrengst en leveringsbetrouwbaarheid wordt niet gegeven. Evenmin als een betrouwbare en alle meespelende factoren bevattende kostenbaten analyse. Zoiets heeft men u, met zekerheid, nog nooit voorgerekend. F. Al hun betogen zijn altijd gericht op enige vorm van hun eigen voordeel : politiek - financieel - of in verband met hun eigen baan of ‘aanzien’. G. Voor de bouw van een windmolenpark wordt nooit een openbare aanbesteding gehouden. Een eventuele opdracht gaat altijd naar de een van de in het geheim afgesproken uitvoerders. H. Een doodenkele keer wordt er een zogenaamd advies over de plaatsing van windmolens gevraagd, maar dat advies blijkt dan altijd te komen van personen of instanties die duidelijk een belangenverstrengeling met het project hebben. Dit zijn dus in wezen altijd verdachte en daardoor waardeloze adviezen. Vaak zijn daarbij organisaties van binnen de overheid, en dan met indrukwekkend klinkende namen, betrokken. Hun onbetrouwbaarheid is meestal alom bekend... Zij doen en zeggen braaf datgene wat hun opdracht is. Waar of niet waar---. Deze lange lijst van doelbewuste misleiding kan nog met tal van andere voorbeelden aangevuld worden maar die alles bij elkaar een duidelijk antwoord op de gestelde vraag geven: Zijn de propagandisten van windmolens bedriegers? Ja! Zéker wanneer zij dat zelf bewijzen! --------------------------------------- Ir J.A. Halkema Theo Mann-Bouwmeesterlaan 86 2597 HJ Den Haag tel-fax: 31.(0)70-3244153 email:jahalkema@compuserve.com
mei 2005 _______________________________________________________________________________________________________ Recept ter beoordeling van windmolenverhalen. Het is duidelijk dat het tot steeds meer mensen begint door te dringen dat windmolens nu niet bepaald een zinnige oplossing kunnen bieden voor mondiale of zelfs maar nationale opwekking van elektriciteit. Daarom verschijnen er ook in de media meer en meer verhalen over enorm grote windmolens die met quasi indrukwekkende ‘koppen’ (headlines) om aandacht vragen; ’s Werelds grootste windmolen’- ‘Grootste windmolen’- enz.enz. Een oplettende lezer die even met een rekenmachientje een paar uitermate simpele sommetjes loslaat op de tekst van deze verhalen krijgt binnen vijf minuten de bevestiging van: ‘Windmolens? Zinloze machines!’
Ik geef u hierbij het ‘recept’ om tot een beoordeling van die snorkende verhalen over windmolens te komen. Eigenlijk zou u eerst even het verhaal ‘Windmolens - eigenschappen - opbrengst - bedrog’ moeten lezen. Dat helpt u op weg naar begrip over enkele termen
Hier gaan we: --- Vergeet nooit dat geen enkele vermelding van welke eigenschap dan ook van windmolens ooit vóór een jaar continu bedrijf bewezen of gegarandeerd kan worden: niet het maximale vermogen, niet de opbrengst in kilowatturen (kWh’s), niet de te verwachten productiefactor, niet de betrouwbaarheid van levering van elektriciteit. Al deze essentiële zaken zullen altijd met fraaie woorden en getallen zonder enig getalmatig bewijs aan het goedgelovige publiek voorgehouden worden. Dus punt 1 van het recept luidt: ‘Laat je nooit misleiden, geloof zonder getalmatig bewijs niets van al die verkoopspraatjes!’
Hoe zit dat dan bij de aankondiging van deze zojuist genoemde grootheden bij de normale machines in een centrale? Vóór de definitieve overdracht aan de opdrachtgever van een centrale zal er altijd een periode van proefbedrijf gedraaid worden. Meestal ononderbroken gedurende één of twee weken. Alle prestaties zullen na exacte meting in een protocol worden vastgelegd. Pas na het geleverde bewijs van alle tevoren aangekondigde prestaties zal de overdracht van eigendom plaats vinden. Dit geldt voor alle soorten centrales: met stoomturbines, met gasturbines, met nucleaire centrales. Kortom: ‘Weten (en betalen!) komt pas na het meten’. Doodnormaal.
Terug naar de mooie verhalen over windmolens: Maximaal vermogen: dat is immers afhankelijk van een bepaalde zeer forse windsterkte. Hoe zou men nu een meting gedurende een bepaalde ononderbroken proefperiode met maximaal vermogen kunnen doen? Onmogelijk. U wordt geacht het allemaal wel te geloven. Opbrengst in kilowatturen: Is ook onmogelijk in een proefperiode vast te stellen of te meten. Pas na een vol jaar bedrijf, dus achteraf, te constateren. Tevoren moet men alle fraaie verhalen zonder enig bewijs weer gewoon geloven. Productiefactor: die is zoals u zou moeten weten, bijzonder belangrijk om het commerciële- en het bedrijfsrendement te kennen. Ook weer onmogelijk vóór de eigendomsoverdracht vast te stellen. Daarom niets anders dan een blinde gok. Leveringsbetrouwbaarheid: Dit is het enige punt waarvan men van tevoren met absolute zekerheid het resultaat kan voorspellen. Dat zal luiden: ‘ Betrouwbaarheid van levering zal allerbelabberdst zijn, met honderden onderbrekingen per jaar’. Dat is dan ook de reden dat promotors van windmolens over deze kwestie altijd zorgvuldig zwijgen. U ziet, wie alle verhalen over windmolens of een windmolenpark zonder na te denken als waarheid aanneemt schaart zich onder de naïevelingen die ieder verkoopspraatje van de promotors van ‘Windenergie’ als eerlijke, dus volledige en niets verzwijgende informatie accepteert. Zo iets is nooit verstandig... Dat zou ook zoiets zijn als die naïeve zielen die gretig ingaan op de aanbiedingen van een beleggingsadviseur; ‘Beleg via mij! Ik garandeer u een rendement van dertig procent per jaar! Maar dan moet u uw geld wel snel op mijn bankrekening storten.’ En zo gaat het eigenlijk ook bij alle aanbevelingen om windmolens te bouwen; ‘Gelooft u mij nu maar en geeft u mij nu maar snel de opdracht tot bouw!’
Misschien is er nog één excuus voor bouwers van windmolens en dat is wanneer zij gedreven door het volksgeloof, en ondersteund door subsidieregels van de overheid, besluiten dat het de kosten loont windmolens te bouwen. En wel omdat zij daardoor een goede naam hopen te krijgen als zijnde hoeder van ‘ons milieu’ en als strijder tegen de afschuwelijke drama’s die de wereld te wachten staat. Zo’n van kilometers afstand zichtbaar uithangbord ‘Wij denken toch ó zo groen!’ kost natuurlijk maar peanuts in vergelijking met alle kosten van hun normale bedrijfsvoering. U dacht toch écht niet dat die grote bedrijven die hier en daar windmolens bouwen (Shell, Siemens, BP) dat doen om van een betrouwbare levering van elektriciteit verzekerd te zijn? Kom nou! Zij wegen gewoon af: ‘Wat kost het ons na ontvangst van alle subsidies en wat brengt het ons aan goede naam bij het publiek op?’
Nu terug naar het recept om te doorzien wat de informatie over nieuw te bouwen windmolens nu in wezen betekent. Punt 1 kent u al: ‘Geloof niet alles!’. Voor het overige zult u toch wat in de getallen moeten duiken. Dus zorgt u ervoor dat u een rekenmachientje bij de hand hebt.
Punt 2 van recept: Onthoudt dat het totale gebruik aan elektriciteit van Nederland (relatief) enorm groot is. Het vermogen van alle leverende centrales bij elkaar moest in 2004 niet minder zijn dan circa 13.000.000 kW (kilowatts), zijnde 13.000 MW (megawatts). Dit vermogen moet, uiteraard, met de allergrootste leveringsbetrouwbaarheid, dus zonder enige onderbreking ter beschikking zijn. Verder dient u te onthouden dat de jaarlijkse toename van dat gebruik ongeveer 2 tot 3 % is. Dus ieder jaar moet er aan producerend vermogen bij komen van 260 tot 390 MW. Punt 3: U moet weten en onthouden wat de termen maximaal (= nominaal) vermogen van een windmolen betekent. Veder de termen ‘de opbrengst per jaar’ gerekend in kWh’s. En de ‘produciefactor’ ( dat is de werkelijke totale jaaropbrengst als percentage van wat er geproduceerd zou worden wanneer de windmolen het hele jaar zonder enige onderbreking met maximaal vermogen zou draaien) Met deze weinige begrippen en uiterst simpele sommetjes rekenend doorziet u de dwaasheid, en dus ook de altijd weer verzwegen realiteit van windmolens. Punt 4: De sommetjes: u begint het aantal geproduceerde kilowatturen (kWh’s) om te rekenen in kilowattjaren. Omdat een jaar 8760 uren telt moet u dus het kilowatturen getal delen door 8760. Dat getal geeft dan aan met hoeveel kilowatts er gemiddeld gedurende een jaar lang ook echt, dus effectief, geproduceerd werd. Dit effectieve jaarvermogen gedeeld door het maximale vermogen is dus niets anders dan de productiefactor. De waarschijnlijk-heid van die zo gevonden productiefactor kunt u dan vergelijken met het in Nederland al als hoog beoordeelde getal 17 %. Bij hoge uitzondering kan op enkele locaties en bij zeer hoge windmolens die productiefactor wat hoger uitvallen. Maar nooit van te voren te voorspellen! In ieder geval zal het verschil in effectief geproduceerde kWh’s bij een wat hogere productiefactor nooit veel uitmaken... Zeker niet in vergelijking met dat totale Nederlandse gebruik van 13.000.000 kW! Dus een heftige strijd erover dat de (niet te voorspellen!) productiefactor wat hoger zal zijn heeft maar weinig zin. Het gaat dan over enkele luttele tienduizendste delen van het totale Nederlandse gebruik... Iets meer of iets minder. Met de wijsheid van dit simpele recept oordelen wij nu eens over de betekenis van de informatie in twee recente verhalen in de media: A. In Technisch Weekblad van 15 april 2005 stond een verhaal over wat genoemd werd ‘de grootste windmolen van de wereld’. Inderdaad een gigantisch groot ding. Met propellers van 53 meter lang. Dus een diameter van ruim honderd meter! Maximaal vermogen werd met 4,5 MW aangegeven. Met ontzag werd vermeld dat deze mastodont zou opwekken 15 miljoen kWh. Natuurlijk weer een getal dat pure gok vooraf is. Delen door 8760 geeft een gemiddeld effectief jaarvermogen van een bescheiden 1,7 MW. Maar wat toch een productiefactor zou betekenen van 1,7 / 4,5 = 0,38 of 38 procent. Dat lijkt nu juist onwaarschijnlijk hoog, maar niemand kan het bewijzen. Maar wat zou zo’n enorm monster nu eigenlijk voor onze Nederlandse behoefte opbrengen? Dat is blijkbaar 1,7 / 13.000 = 0, 00013 of één komma drie tienduizendste deel van onze nationale behoefte. Dat betekent ook dat wanneer wij met deze monsterachtig grote windmolens alleen maar onze jaarlijkse toename zouden willen bijhouden er dan drie tot vier en een half stuks per week bijgebouwd zouden moeten worden. Ik hoop dat u, lezer, nu toch iets genuanceerder over windmolens zult denken. Zeker wanneer u beseft dat wát die dingen dan nog aan opwekking van elektriciteit doen dit hoogst onbetrouwbaar qua levering gebeurt. Dus totaal ongeschikt als zelfstandige bron van elektriciteit... En bovendien is de kWh productie altijd verwaarloosbaar weinig.
B. In De Ingenieur van 13 mei 2005 stond een verhaal over wat in het opschrift aangekondigd werd als ‘Grootste windmolen’. Ook weer monsterachtig groot; ashoogte 80 meter, rotordiameter 90 meter (dus totaal reikend tot ca. 125 meter hoogte!). Maximaal vermogen werd aangegeven met 3 MW. Drie van die door BP bij hun ’Brandstoffenterminal’ in Amsterdam Westelijk Havengebied te bouwen gevaarten zouden met elkaar 21.000 MWh opbrengen. Weer zonder enige garantie vooraf natuurlijk en verder met die honderden onderbrekingen per jaar tengevolge van de variaties van windsterkte. In kWjaren zou die opbrengst zijn 21.000 / 8760 = 2,4 MWjaar. Er wordt dus gerekend op een productiefactor van 2,4 / 9 = 0,27 of 27 %. Lijkt ook weer hoog ,maar met deze hoge machines misschien nog wel het daarop gokken waard. Ten opzicht van ons nationale verbruik levert iedere molen 0,8 / 13.000 = 0,00006 of zes honderdduizendste deel. Maar, nooit vergeten, alweer met honderden wisselvallige onderbrekingen per jaar. Waar het BP bedrijf niet erg blij mee zal zijn. In dit zelfde bericht over BP staan nog verdere plannen van BP genoemd. Simpele sommetjes bewijzen ook daarmee weer dat het plaatsen van enorme maar altijd onvoorspelbaar en wisselvallig producerende windmolens door grote bedrijven alleen maar ingegeven kan worden door: ‘Ach,het kost wel een paar centen maar we adverteren wel met die dingen tot op vele kilometers afstand dat wij zo ‘groen denken.’
Het beoordelingsrecept in het kort samengevat: 1. Onthoudt Nederlands gebruik wordt gedekt door 13.000 MW. Jaarlijkse toename 2 tot 3%. 2, 3,4 : Maak van de opgegeven jaaropbrengst in kWh’s kilowattjaren door deling door 8760. Vergelijk die uitkomst, na weglaten van achtervoegsel jaren, met het totale maximale vermogen en vergelijk dan ook de beloofde maar nooit te garanderen productiefactor met de 17% die voor grote windmolens in Nederland realistisch te verwachten is. Vergelijk ook de effectieve opbrengst met de totale Nederlandse behoefte. Vergeet nooit dat alle fraaie voorspellingen nooit meer zijn dan gegokte voorspellingen voor de ‘verkoop’. Bedenk ook: de promotors van windmolen bouw zullen altijd goochelen met de productiefactor. Maar dat zoiets maar minimaal zal helpen verzwijgen zij uiteraard ook altijd.
En zo ziet u dat windmolens, hoe enorm groot zij ook gebouwd worden, voor zinnige bijdrage aan een behoefte aan elektriciteit, zelfs voor het kleine Nederland, een dwaze hersenschim is. Daar zijn met een beetje gebruik van het gezonde boerenverstand betere , betrouwbaardere en economischer benaderingen voor te bedenken.
---------------------------------
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||