Dalfsen tegen windmolens

Windenergie      

Over ons

Wat vinden wij

Dalfsen

Barometer

Actueel

Alternatieven

Groene stroom

Pers

Gastenboek

Links

Archief

Home

Inhoud:                                             

Windenergie in Nederland is populair, hoe kun je hier tegen zijn? Het is een schone manier van energieopwekking en dus goed voor het milieu. Met "schone windenergie"  werk ik in grote mate mee aan de vermindering van het CO2 -probleem.

Het is niet waar!

De windenergiediscussie in Nederland is in de emotionele sfeer gevoerd en wordt dit nog steeds. De rationele discussie staat in de kinderschoenen maar begint hier en daar post te vatten, gelukkig. De discussie wordt gevoerd in termen van;

1. Het is goed voor het milieu
2. Het is goedkoop
3. Het levert veel energie op
4. Het CO2 probleem

 

De Feiten over de Windmolens

De waarheid over windmolens

Misbruik van subsidies bij windenergie

Door komst windmolens huizen 30% minder waard?

Windenergie 1

Windenergie 2

Windmolens, feiten en ficties

Van Joules tot megawattjaren.

Windenergie en de zeespiegelstijging

 Pluk de wind

   Windmolens - eigenschappen - opbrengsten - bedrog.

 Recept ter beoordeling van windmolenverhalen.

 

De Feiten over de Windmolens

Hieronder ziet u een projectie van een Boeing 747-400ER op de omschreven cirkel van een Windmolen. Als een kunstenaar voor zou stellen om 0 als symbool van onze vooruitgang - 2000 van deze Jumbo's in het Nederlandse landschap rechtop neer te zetten, dan zouden de protesten over horizonvervuiling niet te overzien zijn.

Toch is dit het beleid van de Nederlandse regering op dit moment. Om te kunnen 'scoren' bij organisaties als Greenpeace, Natuurmomumenten en Milieudefensie, moeten er vóór het jaar 2010, desnoods onder dwang maarliefst meer dan 2000 van deze windmolens geplaatst worden.

De rotoren van deze machines bestrijken een oppervlak dat groter is dan van een Boeing 747 en dat alles op een onwezenlijk hoge paal. Een molen met wieken van 100 meter diameter bestrijken een oppervlakte van dan een voetbalveld. Een draaiend voetbalveld in de lucht... Om windenergie een succes te maken voorziet men in een plaatsing van nog eens 1000 van deze 'symbolen'.

Ter vergelijking in het onderstaande diagram is een huis van 9 meter geplaatst en een hoge hoogspanningsmast van 60 meter. Op de wieken van de windmolen is een Boeing 747-400ER geplaatst, de grootste Boeing die er bestaat. Ter vergelijk: de euromast heeft een hoogte van 180 meter. En de gigantische Eiffeltoren 280 meter. Deze Eiffeltoren is 25 kilometer buiten Parijs goed te zien.

 


"Boeing 747-400ER JumboJet geprojecteerd op de wieken van de Windmolens"

Bron: http://www.dedemsvaarttegenwindmolens.nl

 

De waarheid over windmolens.
  • Bestaansrecht alleen door subsidie van EZ (economische zaken). Het grootste deel van de energieheffing op de stroomrekening gaat dus zo in de zakken van investeerders van de windturbines.
  • Leveren alleen stroom tussen windkracht 4 en 8, bij minder dan 4 draaien ze wel om ons te laten geloven dat ze stroom leveren, maar zijn dan afgekoppeld van het net, bij windkracht 8 in de vaan stand i.v.m. breuk wieken.
  • Dedemsvaart ligt in windgebied drie, de kust is één, het aantal dagen dat het hier voldoende waait is veel kleiner dan aan de kust, dus hier horen ze niet thuis. Gemiddelde windsnelheid per jaar in Dedemsvaart 4 m/sec en aan de kust 7 m/sec
  • Het rendement van een windmolen in onze regio is maar 16% van het opgegeven vermogen.
  • De overheid stopt 50 miljard euro subsidie( uw eco tax) in de komende 20 jaar in windmolens. Des te meer windturbines er geplaatst worden hoe hoger de energiebelasting wordt op de stroomrekening.
  • De investeerders maken minimaal 10% rendement in deze projecten, door inderdaad de subsidies, zonder subsidie geen molens.
  • Windturbines zijn de meest onbetrouwbare energiebron. Hoe hard het morgen waait is niet te voorspellen. Het is en blijft een verwachting.
  • Elke conventionele elektriciteit centrale zou gelijk worden afgebroken met dit rendement en leveringspatroon.
  • Iedereen heeft 24 uur per dag, 365 dagen per jaar stroom nodig en niet als het toevallig waait, dat er dan voldoende stroom is.
  • Door dit grillige leveringspatroon heb je altijd een back-up nodig van een conventionele centrale. Het totale vermogen aan windenergie moet je ook beschikbaar hebben in conventionele opwekkers. Dus dubbele investeringen. Als men stroom importeert uit b.v. Frankrijk zal daar wel geïnvesteerd moeten worden
  • Door de vrije energie markt in Europa wordt er per dag energie ingekocht door de stroomleveranciers, dit op basis van prognoses wat men nodig heeft, bij een te groot deel niet te voorspellen windenergie worden de prognoses erg twijfelachtig. De teveel ingekochte energie wordt niet afgenomen, dus niet betaald, Bij te weinig ingekocht moet men de laatste Kwh's zwaar betalen. De consument krijgt de rekening gepresenteerd. Dit alles dankzij de onvoorspelbare windturbines. Denemarken heeft reeds al meer ervaring op dit gebied, misschien moet de Nederlandse regering een bezoekje brengen om zich te laten voorlichten.
  • De reductie van CO2 per jaar door de nu aanwezige windturbines is slechts 1% van de totale uitstoot in Nederland. Een druppel op een gloeiende plaat. Om de totale CO2 uitstoot van Nederland te reduceren moeten de huidige turbines 2500 jaar draaien.
  • Om alleen de groei van het gebruik van energie in Nederland op te vangen met windenergie moet men minimaal 1000 turbines per jaar plaatsen. Waar laat je dan al deze horizonvervuilers. Nederland is te klein en overbevolkt voor grote energie parken.
  • Uit een onderzoekrapport van de Rijks Universiteit Groningen, wat uitgevoerd is in De Lethe (gemeente Bellingwedde) blijkt dat juist hoge windturbines vaak de geldende geluidsnormen overschrijden in de avond en nachtelijke uren, als de wind in kracht afneemt, Zelfs op 1600 m van de turbines worden de geluidsnormen overschreden. Men kan de turbines natuurlijk altijd nog tussen 22.00 uur en 07.00 uur stil zetten, zodat de bevolking een ongestoorde nachtrust heeft.
  • Maart 2004 zijn tweede kamer vragen gesteld aan de minister van EZ naar de kosten baten van de windmolens. De tweede kamer heeft het vermoeden dat de cijfers die door de windmolen lobby naar buiten wordt gebracht niet kloppen met de werkelijkheid, de minister wordt verkeerd voorgelicht, we weten wat dat gaat betekenen. Misschien is het tijd voor een parlementair onderzoek. Binnenkort moet de minister de kamer antwoorden, We wachten af.
  • Hoe worden de molens gefinancierd? Zie onderstaand bericht uit het F.D.

 

Windturbines Windmolenpark

 

 

Misbruik van subsidies bij windenergie
9 juni 2004 - De Belastingdienst loopt miljoenen euro's mis door onregelmatigheden bij de financiering van windmolenparken. Investeringen worden te hoog voorgesteld, waardoor ook subsidies en belastingaftrek te hoog zijn.

Dit concluderen deskundigen en een parlementariër uit cijfers van Groenraedt. Dit Enschedese bedrijf bouwt windmolenparken in Nederland die dubbel zo duur zijn als normaal, waardoor verleende subsidies hoger zijn en de fiscus miljoenen misloopt.

Windenergiedeskundige Ernst van Zuylen spreekt van 'misbruik' van overheidssubsidies; PvdA-kamerlid Diederik Samsom kenschetst het als 'fraude'. Het tweetal doet dat tegenover het tv-programma Nova en deze krant. Ingewijden melden dat de fiscus intern een onderzoek is gestart naar de goedkeuring door de Belastingdienst van de omstreden aftrek.

Directeur Marcel Bovenmars van Groenraedt ontkent de aantijgingen. Groenraedt heeft vorig jaar particuliere investeerders geworven om voor euro 28,3 mln zeventien windmolens te bouwen met een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt. Daarmee valt dit windpark euro 12 mln duurder uit dan wanneer het voor gangbare prijzen zou zijn gebouwd.

Volgens een vuistregel van het onafhankelijke ECN vergt de bouw van 1 megawatt windenergie op het vasteland een investering van euro 1,125 mln. Het Groenraedt-project is daarmee dubbel zo duur als wat gangbaar is. Toch subsidieert de rijksoverheid het zwaar. Zo steunt het ministerie van Financiën via de Belastingdienst met een fiscale energie-investeringsaftrek de windmolenparticipanten van Groenreadt met een belastingkorting tot euro 15 mln, schat Bovenmars.

Deze steun is zo hoog, doordat Groenraedt windmolens voor ongeveer tweemaal de marktprijs doorverkoopt aan een zelf opgerichte maatschap met participerende beleggers. Die kunnen vervolgens de investering van hun maatschap in de molens voor een 52%-tarief van hun inkomstenbelasting aftrekken. Daarbovenop ziet het project in vijf jaar euro 6,6 mln aan subsidie tegemoet via de vergoeding van de Wet Milieukwaliteit Energieproductie. Vrijstelling in die periode van de regulerende energiebelasting levert nog een ondersteuning van zo'n euro 1 mln op. Dat brengt de subsidie op euro 23 mln.

Energie-expert Van Zuylen, bestuurslid van de Nederlandse Windenergievereniging, maakt zich grote zorgen over de methode-Groenraedt. 'Het is zo creatief wat Groenraedt doet, dat het niet meer ethisch is.'

PvdA-parlementariër Samsom stelt dat staatssecretaris Wijn (Financiën) en minister Brinkhorst (EZ) door de medewerking van respectievelijk de Belastingdienst en het subsidiebureau Senter/Novem 'snelle jongens aan veel geld helpen. Voor datzelfde subsidiegeld had tweemaal zoveel windenergie kunnen worden aangelegd.' Samsom meent dat de fiscus en Senter 'naïef zijn geweest en niet goed hebben opgelet'. Hij kondigt aan Wijn en Brinkhorst ter verantwoording te roepen.

Samsom wijst erop dat voor de energieinvesteringsaftrek dit jaar maximaal euro 169 mln beschikbaar is. Door de dure windmolens van Groenraedt dreigt dat potje dit jaar, net als vorig jaar, halverwege het jaar uitgeput te raken.

Groenraedt is onderdeel van Raedthuys Holding. Deze groep heeft in Nederland nu 14 projecten met 58 windmolens met een totale waarde van euro 93 mln.

Copyright (c) 2004 Het Financiële Dagblad

 

  

 

Door komst windmolens huizen 30% minder waard?

Worden honderden huizen in een woonwijk in Dedemsvaart Zuid door een eventuele komst van windmolens 30% minder waard? In andere gebieden van Nederland waar windmolens in de nabijheid van woonkernen zijn geplaatst ( b.v. Swifterbant) is vast gesteld dat de huizen prijzen dramatisch kelderden. De huizen zijn bijna niet te verkopen. De periode dat het huis te koop staat is minimaal twee keer zolang als in een aangrenzend dorp en de prijs zakte dramatisch. Je zal maar een top hypotheek hebben…
Voor het uitbreidingsplan Kotermeerstal Oost, op slechts 800m afstand van de eerste reeks molens, waar 380 woningen gebouwd worden is dit een interessante ontwikkeling. Vooral, omdat er aan de zuidkant, dus dicht bij de molens de duurste en grootste particuliere bouwkavels verkocht worden met daarop de duurste panden, maar nu nog met een schitterend uitzicht over de landerijen. Wie gaat de planschades betalen voor deze bewoners? De gemeente of de windmolenexploitanten. Wat de gevolgen zijn voor de WOZ waarde, met daaraan de OZB belasting gekoppeld, is nu nog onduidelijk. Wel is er een gerechtelijke uitspraak van de belastingrechter van de belastingkamer in Leeuwarden, deze ging akkoord met een waarde vermindering van 30%.

Een inwoner van Termuntenzijl had bezwaar gemaakt. ( uitspraak d.d. 15 mei 2003, Kenmerk BK 74/02. Deze windturbines komen op 2,5 km van zijn huis te staan. Op grond van deze uitspraak, hebben 250 omwonenden een schadeclaim ingediend bij de gemeente Delfzijl van € 40.000 per woning.
 

HUIZENPRIJZEN KORTING (C) BS MEIJER 2004

Bron: http://www.dedemsvaarttegenwindmolens.nl

 

windenergie 1

Artikeloverzicht

 

1.      Toepassing

2.      Voordelen en nadelen

3.      Elektriciteitsopwekking 3.1. Windparken

4.       Energieopslag

 

Windenergie, het gebruik van de energie van wind.

  1. Toepassing

Windenergie wordt van oudsher voor de voortstuwing van zeilschepen gebruikt. Daarnaast worden windenergie en waterkracht al eeuwenlang omgezet in mechanische energie, vroeger met behulp van een windmolen en tegenwoordig vooral met behulp van een windturbine. De mechanische energie kan gebruikt worden voor de aandrijving van werktuigen of worden omgezet in warmte of elektriciteit. Voor geïndustrialiseerde landen is de productie van elektriciteit tegenwoordig de belangrijkste toepassing. Voor afgelegen gebieden en windrijke streken in ontwikkelingslanden is het pompen van water voor huishoudelijk gebruik, bevloeiing, drainage en drinkwater voor het vee uitermate belangrijk. Voor de opwekking van kleine hoeveelheden elektriciteit voor specifieke toepassingen in afgelegen gebieden, zoals telecommunicatie, zend- en ontvangststations, koeling van voedingsmiddelen en verlichting, worden zeer kleine windturbines ingezet.

In 1999 was in Nederland ca. 390 MW aan windvermogen geïnstalleerd. Voor windenergie zijn de klimaatvoorwaarden in België ongunstig. In 1998 was het geïnstalleerd vermogen ca. 4 MW (Zeebrugge). In de Hoge Venen zal een windmolenpark met ca. 6 MW geïnstalleerd vermogen worden gebouwd. De landen van de Europese Unie hadden in 1996 met 3496 MW (57%) geïnstalleerd windvermogen de eerste plaats bereikt, vóór Noord- en Zuid-Amerika (27%) en Azië (15%). In 1996–1997 wekte Duitsland de meeste stroom op met behulp van windenergie: 2081 MW per jaar, gevolgd door de Verenigde Staten (1611 MW per jaar) en Denemarken (1116 MW per jaar).

  1. Voordelen en nadelen

Daar lucht een medium is met uitzonderlijk geringe dichtheid en windkracht slechts gedeeltelijk kan worden omgezet in elektrische energie, heeft bijv. een windenergiecentrale in verhouding tot het opgewekte vermogen zeer grote afmetingen. Voor het opwekken (in Noord-Holland, Friesland en Groningen) van bijvoorbeeld 250 MW is een windpark van 20 tot 35 km2 nodig. Bouw van windturbines buiten de kust (offshore windenergie) levert het hoogste rendement, daar de wind op zee het minst gehinderd wordt. Nadelen daarvan kunnen zijn horizonvervuiling en gevaar voor vogels tijdens de trek (die voor een deel langs de kust plaatsvindt). Een groot bezwaar bij het gebruik van windenergie is bovendien dat de windsnelheid sterk kan fluctueren. Als het te weinig óf te hard waait, is de productie nihil. Bij te harde wind moet de windturbine namelijk worden stilgezet. Daardoor kan het vermogen van een windturbine gemiddeld slechts voor eenvierde worden benut.

Het grootschalige gebruik van energie, opgewekt dmv. windturbines, als vorm van duurzame energiebron, brengt dan ook milieutechnische en planologische problemen met zich mee. Daar komt bij dat windenergie pas rendabel is te maken bij hoge aardolieprijzen.

  1. Elektriciteitsopwekking

Productie van elektriciteit uit windenergie gebeurt met moderne windmolens, windturbines genoemd, die qua uiterlijk nogal afwijken van klassieke windmolens.

De grootte van de jaarlijkse gemiddelde windsnelheid bepaalt of windenergie economisch toegepast kan worden of niet. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) heeft voor Nederland een kaart gepubliceerd waarop de potentiële jaargemiddelde windsnelheden Up zijn aangegeven. De grootheid Up geeft aan hoe groot de gemiddelde windsnelheid op een aantal hoogten (10 m, 60 m) boven het maaiveld zou zijn indien het omringende terrein een bepaalde uniforme ruwheid zou hebben. Uitgaande van Up kan de ter plaatse op verschillende hoogten heersende gemiddelde windsnelheid worden geschat. Het KNMI hanteert hiervoor omrekeningsfactoren die afhankelijk zijn van de ruwheid van het terrein. Aangezien de opbrengst van windturbines sterk stijgt bij toenemende gemiddelde windsnelheid – het vermogen van de wind is evenredig met de derde macht van de windsnelheid – zal toepassing van windenergie op land economisch het meest aantrekkelijk zijn in de kust- en poldergebieden. Uiteraard mag de windsnelheid ter plaatse van de windturbine niet verlaagd worden door obstakels (gebouwen en hoge beplanting).

Windenergie blijft voorlopig in de energieverzorging van de geïndustrialiseerde wereld slechts een bescheiden rol spelen. Dit ligt principieel anders in ontwikkelingslanden. Een kleine windturbine met bijvoorbeeld een rotordiameter van 10 m levert bij een gemiddelde windsnelheid van 5,5 m/s een hoeveelheid energie per jaar die even groot is als het gemiddelde primaire energieverbruik van een Nederlander en vijftien keer zo groot als het primaire commerciële energieverbruik van een inwoner uit een ontwikkelingsland. Daarbij komt dat windenergie in de geïndustrialiseerde wereld moet concurreren met goedkope elektriciteit uit het openbare net en in ontwikkelingslanden met meestal veel duurdere elektriciteit opgewekt met kleine dieselgeneratoren.

3.1  Windparken

Veelal worden grotere turbines in groepen bij elkaar geplaatst en onderling elektrisch gekoppeld. Zo'n windpark of (Eng.) windfarm is te beschouwen als een kleine elektriciteitscentrale.

Het geïnstalleerde vermogen van het grootste windpark van Europa (Eemsmond in Nederland) bedraagt 34 MW, genoeg voor het leveren van elektriciteit gedurende een jaar aan 24 000 huishoudens. Windparken zijn verder ook geplaatst in o.a. Sexbierum en langs de IJsselmeerdijk in Flevoland. De Nederlandse overheid heeft plannen om in het jaar 2020 meer dan 1250 megawatt vermogen aan windenergie te hebben gerealiseerd op het Nederlandse deel van de Noordzee.

In België werd in de voorhaven van Zeebrugge een windpark met 23 windturbines aangelegd. De windkrachtcentrale van Zeebrugge levert elektriciteit aan de haven van Zeebrugge.

  1. Energieopslag

De windparken leveren hun energie direct aan de landelijke en regionale distributienetten. Op deze manier werken ze samen met de andere elektriciteitscentrales en is een opslagsysteem, om tijden van windstilte te overbruggen, niet nodig zolang het windaandeel niet meer dan ongeveer 10% van de totale opwekcapaciteit is. Als de elektriciteitsvraag zeer laag is en het windenergieaanbod op hetzelfde moment zeer hoog, kan het nodig zijn de windturbines zo te regelen dat zij minder stroom genereren (bijv. door het toerental van de rotor aan te passen). Een andere mogelijkheid is de opgewekte elektriciteit te bewaren in energieopslagsystemen.

Voor Nederland zijn enkele in aanmerking komende mogelijkheden onderzocht. Deze zijn: een bovengronds waterspaarbekken (het plan-Lievense), wateropslag in een ondergronds tunnelsysteem (OPAC, afk. v. ondergrondse pompaccumulatie) en het samenpersen van lucht in een ondergrondse ruimte.

In het plan-Lievense is als energiebuffer gekozen voor wateropslag, waarbij elektrische energie tijdelijk kan worden omgezet in potentiële energie door het oppompen van een grote hoeveelheid water over een kleine opvoerhoogte in een bovengronds spaarbekken. Naar behoefte kan deze potentiële energie weer worden omgezet in elektrische energie door het water via turbines naar een lager waterniveau te laten lopen. De essentie is dat door de bufferwerking van het spaarbekken een ontkoppeling kan worden verkregen van de tijdstippen waarop elektriciteit met behulp van windturbines tijdens windrijke perioden wordt opgewekt en het tijdstip waarop aan deze energie behoefte bestaat.

De elementen waaruit het plan bestaat: een spaarbekken omgeven door een dijk van minstens NAP +27 m; waterturbines in de dijk van het spaarbekken; windparken verspreid over het land. Als locaties van een spaarbekken zijn delen van de Markerwaard bestudeerd en twee plaatsen in de Noordzee niet ver van de Maasvlakte. Door het spaarbekken zelf treedt geen brandstofbesparing op doordat er sprake is van verliezen in het opslagsysteem. Het opslagrendement van een spaarbekken is ongeveer 75%. Wel zal een brandstofkostenbesparing optreden als er veel dure brandstoffen worden gebruikt, zoals aardolie en aardgas.

Bij een OPAC-systeem wordt gedacht aan wateropslag in ondergrondse tunnelsystemen. Hierbij zal tevens een bovenbekken noodzakelijk zijn. Vanwege het hoge verval zal dit bovenbekken veel kleiner zijn dan het eerder genoemde spaarbekken.

Bij persluchtopslag wordt elektrische energie gebruikt voor het samenpersen van lucht die ondergronds wordt opgeslagen. Tijdens een piekvraag kan de perslucht gebruikt worden als verbrandingslucht voor gasturbines. Dit principe van persluchtopslag is reeds in werking in het Duitse Huntorf.

Bronnen voor dit artikel vermelden:
"windenergie," Encarta® Winkler Prins Online Encyclopedie 2004
http://nl.encarta.msn.com © 1997-2004 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.

 

Windenergie 2
Deelonderwerp: Grootschalig inzetten van windenergie
Korte beschrijving
Vanaf begin jaren 80 is Nederland bezig met windenergie. Deze als ‘high tech’ gepositioneerde techniek werd eerst kleinschalig maar allengs (eind jaren 90) steeds grootschaliger gestimuleerd door subsidies die – inmiddels – nationale proportieshebben aangenomen.
Huidige windparken besparen niet meer dan een 0.25% van de brandstoffen en rookgassen.
Een gepland megawindpark dat 1/5 van de Nederlandse elektriciteitsbehoefte moet gaan dekken bespaart niet meer dan 5% van het brandstofgebruik in Nederland en de daarmee gepaard gaande uitstoot van gassen.
Kosten
Het Koninklijk Instituut van Ingenieurs heeft berekend dat een 6 GW windpark (voor 1/5 van de Nederlandse behoefte) 15 miljard euro kost. Als het elektriciteitsverbruik blijft stijgen is zelfs een 10 GW windpark nodig dat 25 miljard euro kost.
Een 6 GW windpark kost 15 miljard euro
Een 10 GW windpark kost 25 miljard euro
Uit een artikel in de HAN Nieuwsbrief blijkt dat de jaarlijkse kosten van een dergelijk windpark een a twee miljard euro zullen bedragen.
(Milieu)winst voor de samenleving: Marginaal
Kosten voor de samenleving: 1 à 2 miljard per jaar
Toelichting
Windenergie lijkt zo mooi: je hebt geen brandstof nodig en daarmee geen ‘vieze’ schoorstenen. Echter door het zeer wisselende karakter van de wind en lange periodes van windstilte is de bijdrage van een windmolen gering en zijn altijd conventionele centrales nodig. Het bovengenoemde windmolenpark dan wel een stelsel van
windmolenparken kost 15 – 25 miljard euro en bespaart niet meer dan 5% op de uitstoot van rookgassen.
Contactpersoon
Dr.ir. Adriaan de Lange, tel: 070-3318819, e-mail: Adriaan@ADL.nl
Achtergrond informatie
Windenergie speelde in de Gouden Eeuw een belangrijk stimulerende rol. In de huidige tijd dreigt echter het omgekeerde. Nu al worden forse bedragen uitgegeven aan vele vormen van subsidie om windenergie te kunnen laten concurreren met conventioneel (gas, olie, kolen) gestookte centrales. De wind als energiedrager is weinig geconcentreerd en zeer wisselend van karakter. Daarom moeten er enorme windparken verrijzen om enig effect te sorteren. Het blijft echter noodzakelijk conventionele centrales achter de hand te hebben als de wind wegvalt of tot stormsterkte aanzwelt.
Ervaringen met grootschalige inpassing van windenergie in Denemarken en Noord Duitsland wijzen uit dat instabiele en daarmee gevaarlijke netsituaties zeer reëel worden en dat de opbrengsten – in termen van brandstofbesparing en CO2 reductie – gering zijn maar de investeringen enorm. Bovendien zijn de onderhoudskosten – zeker voor een windpark op zee – een significante kostenfactor. Naast genoemde bezwaren van grote investeringen en lage opbrengst ontstaat er tegen windmolens op land een steeds grotere weerstand omdat ze het landschapschoon verminderen en ‘s nachts lawaai maken. Dit resulteert in een significante waarde vermindering van huizen in de buurt. Dit is de belangrijkste reden waarom het bijbouwen van windmolens op land steeds stroever gaat en alras tot stilstand kan komen.
In Duitsland – inmiddels 10 GW geïnstalleerd windvermogen en extra kosten van zeker 900 miljoen euro per jaar – zullen de extra kosten voor windenergie bij uitvoering van de geplande uitbreidingen tot 2030 tot 10 miljard euro per jaar oplopen.
In Denemarken – aandeel wind circa 15% – is de stemming inmiddels geheel omgeslagen. Pers en publiek zijn te hoop gelopen tegen de hoge versluierde kosten en vele plannen zijn inmiddels gecanceld of op de lange baan geschoven.

 

Windmolens, feiten en ficties

Door Ir. J. A. Halkema


Hans Halkema studeerde elektrotechniek aan de toenmalige Technische Hogeschool in Delft. Dertig jaar lang werkte hij bij Brown Boveri Nederland, thans abb, in de energietechniek, -opwekking en -distributie. Als directielid was hij er verantwoordelijk voor verkoop, ontwerp, fabricage en montage.
Het boek is in die ene zin op de allereerste bladzijde samen te vatten, namelijk dat door het achterhouden van wezenlijke gegevens de bedoeling van de bevorderaars duidelijk wordt: men wil het publiek misleiden.

Hoe doelmatig is een windmolen?

Halkema: Een windmolen is tegenwoordig vaak een zeer ingenieuze machine, maar hij moet zijn energie halen uit een energie-arm en vluchtig medium, 1,22 kg/m3, dat zich bij windkracht 7 met slechts 54 km/uur voortbeweegt. Tot overmaat van ramp is zijn vermogen evenredig met de derde macht van de windsnelheid, wat wil zeggen dat die bij halve snelheid daalt tot 1/2 x 1/2 x 1/2 ofwel 12 procent en bij een-derde tot minder dan 4 procent, waardoor een groot aantal dagen per jaar helemaal geen stroom opgewekt zal worden. Bij de aanschaf moet echter voor zijn maximale vermogen betaald worden. Een ander zwak punt van windenergie is, dat er alleen bij windkrachten tussen 4 en 7 à 8 Beaufort stroom opgewekt zal worden. Boven deze windsterkte gaat een molen buiten bedrijf.
Een forse windmolen zal derhalve niet méér vermogen opleveren dan de motor van een middenklasse-auto of, niet zelden, een redelijk grote motorfiets kan opbrengen. Ik denk dat de voorstanders ook dit nooit zullen vertellen. De officiële cijfers staan in mijn boek: het effectieve vermogen, dus de productiefactor maal het geïnstalleerde vermogen, van 36 windparken met 442 turbines in het jaar 1997 bedroeg slechts 28040 kilowattjaar ofwel 16 procent. De productiefactor geeft in procenten van het maximale vermogen het gemiddelde vermogen aan waarmee geproduceerd wordt. Hij varieert in Nederland, afhankelijk van de standplaats, tussen de 20 en 25 procent met een enkele uitschieter naar 28.
Onze windmolens zijn dus maar voor één-vijfde deel van hun Vermogen effectief werkzaam en vaak voor nog minder. In 2010 moeten 80 windmolens in het Rijmondgebied 120 megawatt leveren. Dat klinkt indrukwekkend, maar effectief zal dat slechts 24 MW zijn. Voor dit project schermt men echter, zie nrc Handelsblad van 15 januari jl, met groene stroom voor bijna 100.000 huishoudens. Jammer alleen, dat zo¹n «huishouden» geen enkele technische waarde aangeeft, waardoor dat nooit de controleren zal zijn.
Bovendien heeft een gemeenschap nog ook bedrijven, instellingen, tankstations, polder- en rioolbemaling.
Ook minister Jorritsma is sterk in het door elkaar haspelen van maximale en effectieve vermogens. Zij schreef mij eens dat die gelijkstelling ingeburgerd en handzaam is en daarmee bedondert ze ons dus. Een laatste aspect is het onderhoud. In het MER-rapport van het project Delfzijl-Zuidoost spreekt men van twee tot twaalf revisiebeurten per jaar per windmolen. Wanneer wekken die dingen dan stroom op?

Hoeveel energie kan men in Nederland met een flinke windmolen opwekken?

Halkema: Nog geen tienduizendste deel van wat één redelijk grote machine in een elektrische centrale kan presteren. De betrekkelijk kleine kerncentrale van Borsele kan, zonder enige CO2-uitstoot, evenveel energie produceren als 7250 grote windmolens van 600 kW. Sluiting zou dus buitengewoon onverstandig zijn. Logischerwijze zou men dan ook de invoer van atoomstroom uit België en Frankrijk moeten stoppen èn politieke druk op die landen uitoefenen om hun kerncentrales te sluiten. Nederland handelt hier zeer hypocriet. Verder was de toename van het verbruik in 1997 ten opzichte van 1996 301 MW-jaar; dat vergt de extra inzet van een redelijk grote turbine óf 2500 windmolens ­ dat zijn er zeven per dag ! ­ met een ruimtebeslag van circa 6000 hectare, jaar in jaar uit. Lijkt u dat reëel? Zijn we nu écht stapelgek geworden?¹

Waar komt het idee dan vandaan?

Halkema: Als gevolg van het klimaatverdrag van Kyoto van 1997 moet het aandeel van duurzame energie in ons land groeien naar 5 procent in 2010 en 10 procent van het totaal in 2020, maar volgens het ECN is dat bij het huidige beleid volgens het «best guess-scenario» 3,7 respectievelijk 5,4 procent.
Van het totale Nederlandse energieverbruik wordt overigens maar iets meer dan 10 procent gebruikt voor de opwekking van elektriciteit. Het totale gebruik was in 1997 circa 9. 132 MW-jaar, waarvan het opwekkingsrendement ongeveer 44 procent was. Zelfs duizend behoorlijke windmolens van 600 kW per stuk produceren met een gemiddelde productiefactor van 0,20 met elkaar slechts 120 MW per jaar ofwel 1,3 procent van ons jaarlijkse gebruik aan elektriciteit.

Minder dan één-duizendste deel van het totale energiegebruik van Nederland. Nu bedraagt de uitstoot uit natuurlijke CO2-bronnen 95 tot 97 procent van het totaal en die door de mens dus 3 tot 5. Het is ondenkbaar dat Nederland door de plaatsing van windmolens daarop enige invloed kan uitoefenen. Het is bovendien de vraag, of de toenemende uitstoot van CO2 oorzaak of gevolg is van temperatuurstijgingen; die kan ook veroorzaakt worden door de al jaren durende verhoogde activiteit van de zon. Al die miljoenen kunnen beter besteed worden aan doelmatiger vormen van «duurzame energie». Ik wijdde daaraan een hoofdstuk.

Hoe haalbaar zijn Noordzeemolens?

Halkema: Die zullen een wat hogere productiefactor hebben dan landmolens, maar ze zullen ook nog veel duurder worden. Hoe die dingen regelmatig onderhouden moeten worden is mij een raadsel. Daarbij slaan de Von Münchhausen-verhalen van prof. Saris van het ECN in het Technisch Weekblad alles: een «stroomakker» met 81.000 molens waarvan er om de 46 seconden één moet worden nagezien, die onmogelijk onderling elektrisch kunnen worden verbonden en wier immens maximaal vermogen met geen mogelijkheid aan het Europese net kan worden aangesloten. Met dergelijke onzin worden hordes mensen om de tuin geleid. Op een brief aan ECN om technische uitleg kreeg ik taal noch teken. Verbaast mij niets.
http://www.libertarian.nl/NL/archives/000421.php

Ir J.A. Halkema                                                                       

Theo Mann-Bouwmeesterlaan 86

2597 HJ Den Haag

tel-fax: 31.(0)70-3244153

e-mail: jahalkema@compuserve.com

 

mei 2004

Van Joules tot megawattjaren.

 

Vermogen en Energie.

Belangrijk is dat begrepen wordt dat de technische uitdrukkingen Vermogen en Energie twee totaal verschillende zaken aanduiden: Energie wordt opgewekt wanneer een bepaald Vermogen gedurende enige Tijd wordt uitgeoefend. Dus:

Energie = Vermogen x Tijd

Daarom zal altijd bij een aanduiding van een bepaalde hoeveelheid Energie ook de aanduiding van een bepaalde hoeveelheid Tijd nodig zijn. Zo hoort bijvoorbeeld bij de aanduiding van de hoeveelheid elektrische energie altijd ook een tijdsaanduiding, zoals bijvoorbeeld kilowattuur. De aanduiding van de kleinste eenheid van energie is Wattseconde . Maar hiervoor wordt meestal de uitdrukking Joule gebruikt. Dus 1 Joule =1 Wattseconde.

Ondanks deze zeer kleine eenheid wordt toch voor grote tot zeer grote hoeveelheden energie vaak deze eenheid Joule gebruikt. Dat resulteert uiteraard altijd in zeer grote getallen.

In de elektrotechniek en de energietechniek wordt meestal de al aanzienlijk grotere eenheid, de kilowattuur gebruikt:

1 kilowattuur = 1000 x 3 600 Joules (een uur telt immers 3 600 seconden). Anders gezegd: 1 kilowattuur = 3600 kilojoules. (Of weer anders uitgedrukt, 1kWu = 3,6 megajoules)

Decimale voorvoegsels.

kilo

(k)

= 1000 maal of 103 maal

mega

(M)

= miljoen maal of 106 maal

giga

(G)

= 1000 x miljoen of 109 maal

tera

(T)

= 1012 maal

peta

(P)

= 1015 maal

Om hiermee even te oefenen:

1 terajoule = 1 TJ = 1012 Joule = 109 kilojoules, dus = 109 / 3600 = 278.000 kWu (of kWh)

Het rekenen met kilowattjaren in plaats van met kilowatturen.

Wanneer men de jaaropbrengst van een bepaalde stroomopwekker (een turbogenerator of een windmolen bijvoorbeeld) in kWu's, dus kWh's vermeld krijgt zal dat getal bijzonder groot zijn. In ieder geval zo groot dat men daaruit niet ineens kunt opmaken met hoeveel gemiddeld vermogen gedurende dat jaar deze hoeveelheid energie werd opgebracht. Handig is daarom dit grote getal in kWh's om te rekenen in kilowatt aren, in kWj's . Dus door te delen door 8760, het aantal uren dat een jaar telt. In één oogopslag ziet men dan met welk gemiddeld jaarvermogen deze hoeveelheid energie werd opgewekt; eenvoudig door het weglaten van het achtervoegsel jaar!

Voorbeeld: Een turbogenerator die in een jaar 240.000 kilowattjaar produceerde draaide in dat jaar met gemiddeld 240.000 kW of met 240 MW. Eenvoudiger kan niet.

Of een ander voorbeeld: Een 2000 kW windmolen die ineen jaar 3500.000 kWh opwekte heeft dus (delen door 8760) 399,5 kWj opgebracht. Hij draaide dus met een gemiddeld jaarvermogen van 399,5 kilowatt.

U ziet hieruit het gemak van het uitdrukken van een bepaalde hoeveelheid in een jaar opgewekte energie in kilowattjaren. Het maakt het gemiddelde vermogen in dat jaar meteen zichtbaar.

De bijdrage aan het landelijke, Nederlandse, elektriciteitsgebruik.

Dat gebruik was, weer uitgedrukt in kilowattjaren, in 2003 ongeveer 12.500.000 kWj.

Dat werd dus door alle voedende centrales, in binnenland en buitenland, opgewekt met een gemiddeld vermogen van 12.500.000 kW, of wel 12.500 MW.

Van het totale Nederlandse gebruik werd vanuit het buitenland tegen de 20 procent. geïmporteerd. Dus met een gemiddeld centralevermogen van ongeveer 2500 MW. Een zeer forse hoeveelheid (Veel uit Duitsland en daar veelal in bruinkoolcentrales opgewekt, en verder voor een groot deel uit Frankrijk, in kernenergiecentrales opgewekt.)

Dat Nederland in de verste verte de totale eigen behoefte niet in Nederlandse centrales kan opwekken zal zeker nog eens tot grote moeilijkheden leiden... Maar deze opmerking terzijde.

Voor allerlei beschouwingen is het van groot belang dat men zich realiseert hoe immens groot de totale behoefte aan elektriciteit van ons land is! Dat getal 12.500.000 kWj dus. Door dat getal niet te kennen, of juist te verzwijgen, worden vele dwaze verhalen en hun conclusies rondverteld. Gewild of uit onwetendheid. Meestal over het nut van windmolens!

Ook is het nuttig te weten dat de totale Nederlandse behoefte in de afgelopen jaren een jaarlijkse toename had van 2 tot 3 procent. Een toename van het benodigde centralevermogen van dus 250 tot 375 MW per jaar. Door de verslechterde economie is deze toename nu afgenomen tot ongeveer 1 á 1,5 %.

Nu nog wat over windmolens

Wie wat meer over gedrag en prestaties van windmolens en alle misleidingen daarover wil lezen en leren moet mijn boekje "Windmolens? Zinloze machines!" (ISBN90 5959 015 5) lezen.

In het kort uit dat boek de belangrijkste zaken:

1. Het is tengevolge van natuurkundige wetten een absolute onmogelijkheid dat windmolens ooit nog eens een echt groot vermogen zullen kunnen opwekken. Nu niet, en ook in de toekomst niet. 2. De ( onvoorspelbare) opbrengst aan kilowatturen ( of kilowattjaren) van windmolens over een jaar gerekend zal altijd zeer gering zijn en blijven. Zoals de jaaropbrengst van één enkele stoomturbine in een centrale makkelijk in enkele honderden megawattjaren uitgedrukt kan worden zal die bij een windmolen nooit meer zijn dan in enkele honderden kilowattjaren.. Dus zeker een factor duizend maal minder. Vergeet u dus nooit: bij turbines in centrales hebben wij het altijd over megawatten, bij windmolens (of windturbines) altijd over kilowatten aan opbrengst. Dat duizendvoudige verschil wordt door de promotors van windenergie altijd zorgvuldig, en natuurlijk doelbewust, verzwegen. Dit valt daarom maar weinig mensen op.

3. Deze minimale opbrengst van windmolens zal bovendien nooit in één regelmatige sterkte ter beschikking komen, maar in honderden kleine portietjes kilowatturen afhankelijk van de toevallige windsterkte tijdens die 365 dagen in een jaar. Een windmolen zal daarom nooit als ononderbroken en betrouwbare stroombron voor welke afnemer dan ook gebruikt kunnen worden. Een "huishouden" zou toch wel gek zijn de elektriciteit uitsluitend te willen betrekken van zo'n onbetrouwbare, wisselvallige bron als een windmolen. Desondanks wordt bij ieder

verhaal over windmolens gesuggereerd dat zus of zoveel huishoudens gevoed zullen kunnen worden. Dit is dus alweer niets anders dan doelbewust misleidende propaganda.

De opbrengst van windmolens in vergelijking met de behoefte aan elektriciteit in Nederland.

Wat die totale behoefte van Nederland is vindt u hierboven. Die was dus in 2003 ongeveer 12.500.000 kWh.

Nu moet u even onthouden: één honderdduizendste deel van onze behoefte is dus 125 kWh. Dit getal komt zodadelijk ter sprake.

De jaaropbrengst van een windmolen is door zijn uiterst sterke wisselvalligheid maar een fractie van wat het ding bij continu met vol vermogen zou kunnen opwekken. Dat deel van de werkelijke opbrengst ten opzichte van de theoretische opbrengst met vol vermogen noemt men de productiefactor. Die productiefactor is gemiddeld voor alle in Nederland opgestelde windmolens bij elkaar (nu ruim 1500 stuks) niet meer dan 15 á 20 procent. Aan de kust wat meer, in het binnenland aanzienlijk minder. (Deze getallen werden officieel door de Kema-Arnhem bekend gemaakt) Dat betekent dus dat van het totale nominale vermogen van die ruim 1500 windmolens bij elkaar niet meer dan voor 15 á 20 procent effectief elektriciteit wordt geleverd.

(De kostprijs van de hele windmolen inclusief alle elektrische voorzieningen blijft natuurlijk altijd gebaseerd op die 100 procent van het nominale vermogen! Er wordt dus altijd voor 100 % betaald, maar de opbrengst zal nooit meer zijn dan 15 á 20 procent. Het best te vergelijken met het voor heel veel geld kopen van "een kat in de zak")

Hieronder vindt u de totale jaaropbrengst van moderne zeer fors grote windmolens die overigens nooit anders aangekondigd worden dan met hun maximale (of "nominale") vermogen. Een vermogen waarmee zij dus alleen uiterst zelden draaien. Hier worden de windmolens van "1000 kW", van "2000 kW"en van "3000 kW" genoemd. (Deze laatste zijn dan bijzonder grote, hier nog maar weinig voorkomende windmolens). U krijgt de opbrengsten te zien voor de twee verschillende productiefactoren 17 en 25 procent. Dit zijn dus al bijzonder hoog ingeschatte factoren! In ieder geval aanzienlijk hoger dan het werkelijk gemeten gemiddelde voor Nederland.

De "1000 kW" windmolen zal met een productiefactor van 17 % een jaaropbrengst geven van 0,17 x 1000 = 170 kWjaar. En bij de hoogst zelden bereikte productiefactor 25 % niet meer dan 0,25 x 1000 = 250 kilowattjaar. Dat betekent per windmolen resp. 1,35 en hoogstens 2 honderd­duizendste deel van de totale behoefte van Nederland.

De "2000 kW" windmolen zal bij de genoemde productiefactoren 17 resp 25 % het tweevoudige opbrengen, dus hetzij 2,7 of 4 honderdduizendste deel van de Nederlandse behoefte.

Voor de enorme grote "3000 kW" windmolen zal de opbrengst dus hetzij 4,05 resp. 6 honderdduizendste deel van de Nederlandse behoefte.

U ziet hoe bespottelijk weinig windmolens aan de Nederlandse elektriciteitsbehoefte kunnen bijdragen. Zelfs die enorme 3000 kW windmolens komen bij de uitzonderlijk hoog geschatte productiefactor van 25 % tot niet meer dan 6 honderdduizendste deel!

Daarbij mag u niet vergeten: deze miserabele opbrengst geschiedt niet met een regelmatige ononderbroken stroom, maar volledig afhankelijk van de toevallige windsterkte. Niemand van de bouwers zal daarom bereid zijn voor die opbrengst een garantie te geven. En nog veel minder daar ooit enige boetebepaling voor te weinige kWh-levering voor accepteren!

Conclusie: Windmolens zijn voor regelmatige levering van elektriciteit zinloze machines, maar iedere Nederlander wordt wel verplicht aan alle subsidies mee te betalen.

 

 1. Het is goed voor het milieu

WEG MET KYOTO

Nederland moet gidsland worden en uit het klimaatverdrag stappen, dat de economie bedreigt en niets doet tegen eventuele opwarming van de aarde.

Het Kyoto-verdrag heeft een goede naam. Het klinkt groen en suggereert staatsmanschap: eindelijk betonen de wereldleiders zich werkelijk wereldleiders en laten de planeet niet verkommeren.
Wat een vergissing. Kyoto is een heilloze weg. Het is een onbetaalbare oplossing voor een niet bestaand probleem. Hoe eerder Nederland besluit die weg te verlaten, hoe beter het is.

Hoe zit het ook alweer met Kyoto? In die Japanse plaats maakten diverse landen in december 1997 de afspraak om in 2012 gezamenlijk 5 procent minder broeikasgassen (vooral kooldioxide, CO2) uit te stoten in vergelijking met 1990. De hoop is dat aldus de veronderstelde klimaatverandering ten gevolge van het zogenoemde broeikaseffect kan worden tegengegaan.
Het Kyoto Protocol legt aan landen en werelddelen verschillende doelstellingen op. Europa zou 8 procent moeten bezuinigen. Nederland moet in 2012 6 procent verminderd hebben ten opzichte van 1990.

Een belangrijk argument tegen Kyoto is dat het veel geld gaat kosten. Werkgroep drie van het VN-orgaan dat achter het verdrag zit, schatte dat het nationaal inkomen van geïndustrialiseerde landen in 2010 ten gevolge van Kyoto tussen de 0,2 en de 2 procent lager zal zijn. Voor Nederland een bedrag tussen de 800 miljoen en de 8 miljard euro.

Minister Margreeth de Boer van Milieu schatte in 1998 dat de extra maatregelen van Kyoto de overheid, het bedrijfsleven en de consument samen 1,4 miljard euro in 2010 zouden kosten. Een berekening die later door enkele Nederlandse universiteiten en het RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, werd gemaakt, kwam lager uit: 0,2 procent van het bruto binnenlands product ofwel 800 miljoen euro.

Andere schattingen komen aanzienlijk hoger uit. Volgens het Amerikaanse onderzoeksinstituut Dri-Wefa zal het negatieve effect voor Duitsland en Groot-Brittannië 5 procent van het bruto binnenlands product bedragen en voor Nederland 3,8 procent, ofwel 15 miljard euro. Voor alle duidelijkheid: eik jaar opnieuw. Om een idee te geven hoe groot dat bedrag is: na twaalf jaar kan er de hele Nederlandse staatsschuld mee worden afgelost. Ook schatte het instituut dat er in Nederland 240.000 banen zullen verdwijnen. De onduidelijkheid in de schattingen heeft onder meer te maken met onzekerheid hoe landen hun Kyoto-doelstellingen gaan invullen. Er bestaat een levendige handel in emmissierechten. Natuurlijk verbruikt Nederland in vergelijking met een Afrikaans land enorm veel energie per hoofd van de bevolking, maar vergeleken met energie slurper Amerika zijn wij al behoorlijk efficiënt: het lage fruit is al geplukt. Mede daarom koopt Nederland emissierechten in Oost-Europa. De besparingen op de uitstoot van broeikasgassen aldaar tellen mee voor de Kyoto-doelstellingen. Zo heeft Nederland onlangs 25 miljoen euro betaald voor de modernisering van een waterkrachtcentrale in Roemenië, een omvorming van een kolencentrale naar een biomassacentrale in Hongarije en nog twee andere projecten.

Omdat de fabrieken en energiecentrales in Oost-Europa en in de Derde Wereld technologisch ver achterlopen op die in Nederland, is het in die landen veel goedkoper om CO2 reducties te realiseren. Maar daar staat weer tegenover dat een euro die in Hongarije wordt geïnvesteerd in Nederland min der spin-off (zoals werkgelegenheid) schept. Kortom, een moeilijke vergelijking met veel onbekenden.
De econoom Hans Labohm, actief binnen de VVD en werkzaam bij Instituut Clingendael, schat dat Kyoto wereldwijd tussen de 150 en 350 miljard euro zal kosten. Per jaar. Ook de Deense statisticus Bjorn lomborg (bekend en berucht geworden door zijn boek Tbe Skeptical Enviromentalist) hanteerde in het tijdschrift Scientific American van mei vorig jaar deze schatting.

Lomborg: 'Omdat de opwarming van het klimaat vooral de landen in de Derde Wereld raakt, moeten we ons afvragen of Kyoto de beste manier is om hen te helpen. Het antwoord is nee. Voor de kosten van Kyoto in 2010 zouden we in één keer het grootste probleem op aarde kunnen oplossen: we zouden ieder mens op aarde schoon drinkwater en wc's kunnen geven. Dit zou twee miljoen levens redden en een half miljard ernstige ziekten per jaar voorkomen. En eik daaropvolgend jaar zouden we weer zoiets moois kunnen doen.'

De werkelijkheid is nog dramatischer dan Lomborg aangeeft. Als de theorie van klimaatverandering door het broeikaseffect klopt, moet de uitstoot van kooldioxide en methaan met 50 tot 70 procent worden teruggebracht. Het Kyoto Protocol is, zoals het Europese Milieubureau onlangs nog vaststelde, niet meer dan 'een eerste bescheiden stap' in die richting.

En zelfs dat eerste stapje verloopt niet bepaald vloeiend. Een recent rapport voor de Europese Commissie voorspelde dat de doelstellingen in Europa bij lange na niet zullen worden gehaald. Idem voor Nederland. Als Nederland Kyoto haalt, komt dat alleen maar door investeringen in het buitenland. De binnenlandse uitstoot van CO2 is niet gedaald ten opzichte van 1990, maar juist gestegen.
Ondanks de enorme bedragen die Kyoto vergt, zal het vrijwel geen invloed hebben op het mondiale klimaat. Er is wel geschat dat het verdrag het klimaat in 2050 met 0,07 graad zal hebben afgekoeld. Een andere vergelijking is dat de temperatuur die anders in het jaar 2100 bereikt zal zijn, nu zes jaar wordt uitgesteld.

De logische consequentie hiervan is dat één Kyoto niet genoeg zal zijn. Ook het VN-bureau dat achter het verdrag zit, heeft dat al kenbaar gemaakt. Het Kyoto Protocol wil 5 procent reductie van broeikasgassen in 2010, terwijl 50 tot 70 procent reductie nodig is. Dat betekent tien tot veertien nieuwe Kyoto's. Voeg daaraan toe dat die 5 procent in 2010 niet gehaald wordt en dat lang niet alle landen meedoen aan het Protocol, en het is niet gewaagd om te veronderstellen dat de totale investeringen om de eventuele opwarming van het klimaat door het broeikaseffect te bestrijden twintig tot veertig maal het bedrag van dat ene Kyoto zullen beslaan.

Wie daarmee gaat rekenen, komt op absurde getallen uit. Het zou bijvoorbeeld tientallen procenten van het Nederlandse nationale inkomen opslokken en wereldwijd jaarlijks 4.000 miljard euro kunnen kosten. Of het ooit zal komen tot een tweede, laat staan twintigste Kyoto, is overigens de vraag. Lang niet alle landen in de wereld hebben het Kyoto-verdrag ondertekend. De Verenigde Staten, verantwoordelijk voor meer dan een kwart van de broeikasgasuitstoot, zullen het niet ondertekenen. Rusland en Canada konden slechts met moeite over de streep worden getrokken en zullen waarschijnlijk een volgende keer weigeren. En sinds de klimaatconferentie van oktober 2002 in New Delhi staat vast dat de Derde Wereld niet mee zal werken aan de ambitieuze doelstellingen om 50 tot 70 procent van de emissies te reduceren. De Derde Wereld ziet in dat zij dan nooit uit het slop komt en vindt begrijpelijkerwijs dat het rijke Westen Kyoto 2 tot en met 20 voor zijn rekening moet nemen.

Ten slotte, waarom is dit allemaal ook alweer begonnen? Omdat door het broeikaseffect het klimaat in het jaar 2100 met 4,5 graden opgewarmd zou worden en dat gepaard zou gaan met een grote zeespiegelstijging en andere klimaatproblemen.

Sommige wetenschapsmensen en veel politici doen het voorkomen dat dit alles keihard bewezen is. Dat is niet zo. De klimaatkunde staat bol van de onzekerheden. Natuurlijk is er de afgelopen decennia (mede dankzij de commotie over het broeikaseffect) veel over het klimaat ontdekt, maar met elke ontdekking groeit het besef dat er nog veel meer is dat we niet weten.

Klimaatdeskundigen kunnen de meest simpele vragen niet beantwoorden: ze weten niet of wolken afkoelen dan wel verwarmen, ze weten dat de lucht vochtigheid stijgt bij een opwarming van de aarde, ze weten dat dit leidt tot meer sneeuwval bij de polen, maar ze weten niet of dit meer, minder of gelijk is aan de hoeveelheid ijs die zal smelten door de hogere temperatuur.

Natuurlijk, het is logisch dat de klimaatkunde geen antwoord heeft op dit soort vragen. Het is een tamelijk jonge wetenschap en het klimaat zit razend ingewikkeld in elkaar (kijk maar hoe moeilijk het weer zich laat voorspellen, ondanks al die steeds slimmere computers). Maar dan gaan we toch met z'n allen geen honderden miljarden euro's uitgeven op basis van voorspellingen uit zo'n onrijpe discipline? Temeer omdat we ook weten dat de zon een veel grotere invloed heeft op ons klimaat dan een eventueel broeikaseffect. Gaan we straks ook een verdrag sluiten om eventuele veranderingen in de zon te bestrijden?

Kyoto is geen alternatief voor dijkophoging. De zeespiegel zal in onze contreien sowieso stijgen We zijn nu eenmaal afkomstig uit een ijstijd waarin de zeespiegel aanzienlijk lager stond. Voeg daarbij dat de ijskap tijdens de laatste ijstijd Noord-Europa naar beneden heeft gedrukt en de rest van Europa (waar Nederland net bij hoort) naar boven. Europa is zich daarvan nog steeds aan het herstellen, wat tot gevolg heeft dat Scandinavië elke eeuw een tikje stijgt en Nederland daalt. Onze zeespiegel blijft dus onherroepelijk doorstijgen, hoeveel Kyoto's er ook komen.

De theorie van het broeikaseffect is een nauwelijks verholen aanval op het economisch stelsel zoals dat nu bestaat in grote delen van de wereld. Dat komt omdat de voornaamste schuldige aan het broeikaseffect, het gas kooidioxide, nauw gekoppeld is aan vrijwel elke menselijke activiteit. Bijna alles wat mensen doen, inclusief ademhalen, brengt kooldioxide voort.

Als het broeikasverhaal klopt, moet ook de hele wereldeconomie op de schop. Misschien, heel misschien, zal dit ooit in een verre toekomst nodig zijn. Erg waarschijnlijk is dit niet. Vermoedelijk zit de aarde slimmer in elkaar dan de klimaatdeskundigen nu denken. Zou de planeet die er al miljarden jaren was vóór onze voorouders uit de boom klommen, zo snel van slag raken als wij per ongeluk op een verkeerd knopje drukken? Nee, voorlopig is er nog tijd genoeg om het probleem, als er al sprake is van een probleem, grondig uit te zoeken.

Kyoto heet het begin van een antwoord te zijn op het broeikaseffect. Een oplossing voor een verondersteld probleem. Als zodanig is het erger dan het euvel zelf. De voorstanders van Kyoto schermen vaak met grote woorden. Die zijn hier inderdaad op hun plaats. Ten behoeve van onze kinderen en kindskinderen, met het oog op de duurzaamheid van de economie, uit compassie met de Derde Wereld, moet Nederland uit dit rampzalige verdrag stappen.

Simon Rozendaal

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Elsevier, op 8-2-2003.

 


Van het jaarlijkse energieverbruik in Nederland wordt maar ongeveer 10% gebruikt voor de opwekking van alle elektriciteit die via ons openbare net geleverd wordt. Let wel! Voor de opwekking!!! Voor de duidelijkheid; Alle in 1997 geleverde elektrische energie bedroeg 9.132.000 kWj (kilowattjaar) of te wel 9.132 MWjaar. Een windturbinepark met een geinstalleerd vermogen van 60 MW (Het grootste Windturbinepark van Europa bij Delfzijl zuidoost) met een werkelijk rendement van 20% (werkelijk dus maar ongeveer 12 MW) zal dus nagenoeg niet meetbaar zijn in de elektriciteitsbijdrage laat staan in het terugdringen van CO2 en SO2. De elektriciteitsproductie door dit "grootste park van Europa" zal aan de beperking van de totale mondiale CO2-uitstoot werkzaam zijn voor een veertigmiljoenste deel.

Duurzame energie komt voor 77% uit vuilverbranding, voor 11% uit biogas uit afval en voor 9% uit wind. Duurzame energie voorziet voor 1,5% in onze energiebehoefte.

Dus, het effect op de CO2 uitstoot en het verbruik van fossiele brandstoffen zal onmeetbaar klein zijn. Niemand mag resultaat verwachten van het aanpakken van 1/700ste deel van een probleem. Het stimuleren van windturbines is dan ook een louter symbolische daad, bedoeld om de goede wil van de overheid te tonen en voor velen van ons om het milieu-schuldgevoel af te kopen.

Om een indruk te geven wat de bijdrage van Groningen zal zijn in 2020 afgewogen tegen de investeringen die meer dan Fl 300.000.000,00 zullen bedragen.

Hierbij moeten we weten dat 1 MW ongeveer 1 ton vermindering van SO2 teweeg brengt en dat in het geval van Delfzijl, op 30 meter afstand van het "schone windpark", een SO2-uitstoot van 560 ton wordt gedoogd.

 2. Het is goedkoop

Plannen voor windenergie kosten Nederland miljarden


De lobby voor windenergie in ons land kent zijn weerga niet, waarschuwt emeritushoogleraar Pieter Lukkes. De sociaal-geograaf voelde de noodzaak tegenwicht te bieden en kwam deze week ´ongevraagd´ met een maatschappelijke kosten-batenanalyse op de proppen. Zijn onthutsende conclusie: de voorgenomen uitbreiding windenergie kost Nederland tot en met 2020 per saldo   26,6 miljard.

Het is geen gemakkelijke rekensom die prof. Lukkes maakt in het boekje dat de frivole naam Iewiewaaiweg draagt. Vast staat in elk geval dat met de bouw van windturbines de import van ´vuile´ stroom kan worden voorkomen, waardoor Nederland dichterbij het halen van Kyoto-doelstellingen met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen komt. Lukkes schat de milieubate op   2,6 miljard; een waarde die is gecorrigeerd voor het feit dat het ´windaanbod´ sterk wisselvallig is en kolen- en gascentrales dus regelmatig moeten bijspringen.

Door de beginnende handel in emissierechten is het relatief eenvoudig een waarde toe te kennen aan een ton CO2 (het belangrijkste broeikasgas). De kosten van windenergie zijn veel lastiger te bepalen, vooral waar het de maatschappelijke kosten betreft. Zeker is het dat de meeste Nederlanders windmolens als lawaaiige ´horizonvervuiling´ beschouwen. Wetenschappelijk gezien zijn er twee methoden om de schade te bepalen. Vraag omwonenden wat zijn bereid zijn te betalen om de molens kwijt te raken (´willingness to pay´), of vraag ze wat ze aan geldelijke compensatie willen hebben om zich er bij neer te leggen (´willingness to accept´). Lukkes komt op basis van veldonderzoek tot een ´geografische´ kostenpost van   5,4 miljard, deels veroorzaakt door dalende huizenprijzen in de buurt van windmolens.

„Zoals kolen onontbeerlijk zijn voor kolencentrales, zo worden omgevingskwaliteiten verbruikt voor het opwekken van windenergie”, aldus de emeritushoogleraar. „Wind is duurzaam, windenergie is dat bepaald niet.”

De totale (contant gemaakte) kosten van windenergie schat Lukkes op   29,2 miljard, een bedrag dat voor 80% bestaat uit de subsidiestroom die hij over de periode 2003-2020 verwacht. Gezien de eerder genoemde bate van   2,6 miljard resulteert een ´maatschappelijk verlies´ van   26,6 miljard, ervan uitgaande dat 80% van het totale windenergie-vermogen in 2020 op zee wordt opgewekt. Daarbij is geen rekening gehouden met extra vogelsterfte.

 3. Het levert veel energie op

Om te begrijpen waar we het over hebben als we praten over opgewekte energie dan zullen we het eens rekenkundig moeten benaderen, hier gaan we de emotie uit de discussie halen. "Mensen die het zo goed met het milieu menen, dat kunnen toch geen leugenaars zijn!" De cijfers en rekenmethoden zijn in de meeste gevallen afkomstig van de sector zelf.

Allereerst moeten we begrijpen wat het essentiële verschil is tussen vermogen, dus kilowatten of megawatten en de daarmee wel of niet opgewekte energieën, dus kilowatturen of megawatturen. En hier draait een groot deel van het hele volksbedrog om. Het bedrog waar iedereen in trapt, gewoon omdat men nooit werkzaam is geweest in "het vak". Altijd worden er van windparken indrukwekkende kilowatt- of zelfs megawatt getallen genoemd, meestal in direct verband met het grote aantal gezinnen die hiermee van energie worden voorzien.

Nooit wordt erbij verteld dat met zulke opgestelde vermogens door de variabele windsnelheid gemiddeld in Nederland met maar 20% van zo'n vermogen echt energie, dus kilowatturen opgewekt worden. En hier zit dat bedrog nu juist in!

Het gaat niet om kilowatten maar om kilowatturen!!!!!

Het voorgaande even lezende dient gezegd te worden; technisch en qua product zijn de meeste Nederlandse windmolens van zeer goede en ingenieuze kwaliteit. Het is alleen een absolute onmogelijkheid om met nagenoeg niets wegende lucht die technisch gesproken een zeer lage en bovendien sterk variabele snelheid heeft betrouwbaar en voorspelbaar een hoeveelheid energie (kilowatturen dus!!) van enige importantie op te wekken. Dit kan niet, eenvoudig door natuurkundige wetten en dat zal ook nooit kunnen. Maar dit zal u nooit door de windsector verteld worden. Ze kijken wel uit! Dan valt het hele kaartenhuis in elkaar.

Om te weten of windmolens/windturbines iets zinnigs doen voor het opwekken van energie moeten we kijken naar de techniek.

Wat zijn de technische eigenschappen van windmolens en wat speelt zich in het Nederlandse elektriciteitsnet af. Alles getalsmatig bekeken natuurlijk. Zonder getallen is het praten over windmolens/windturbines zinloos.

1. Een windmolen haalt zijn mechanische vermogen uit:

de massa(het gewicht) van de totale hoeveelheid lucht die per seconde door de propellercirkel stroomt en tegelijkertijd uit de derde macht van de snelheid van deze wind. De massa, het gewicht, van lucht is bijzonder klein: 1,21kg/m³. Ook de snelheid van de lucht is naar technische begrippen heel erg klein: het maximale vermogen van een windmolen wordt meestal opgewekt bij een windsnelheid van 14 tot 15 m/sec. Beaufort 6. Dat is ongeveer 50 tot 54 km/uur. Naar technische begrippen niet meer dan "een zuchtje". Daarom zijn er van die enorme bouwsels nodig om, alweer naar technische begrippen, een minuscuul vollastvermogentje op te wekken. En dan komt de ellende nog, de doodsteek voor de bruikbaarheid van zo'n machine voor elektriciteitsopwekking:

dat vermogen dat evenredig is met de derde macht van de windsnelheid!

Daalt de windsnelheid beneden de, laten wij het zo maar noemen, "de vollastsnelheid" dan daalt het opgewekte vermogen uiterst scherp. Even zo'n simpel sommetje:

aangenomen vollastsnelheid van de wind is 15 m/sec. Die snelheid zakt iets, tot b.v. 10 m/sec, dus tot 2/3, dan zakt het vermogen tot 2/3 x 2/3 x 2/3 = 30%, dus dat is echt niet veel meer.

Bij halve windsnelheid tot 1/2 x 1/2 x 1/2 = 12,5%

Voor een 600 kW machine daalt het vermogen dan tot een miezerige 75 kilowatt!

Nauwelijks om nog over naar huis te schrijven en bij nog minder wind wordt de machine dan ook inderdaad van het net afgeschakeld.

 

Hieronder de opbrengst van 442 Nederlandse windmolens verdeeld over 36 windparken.

Het gaat nagenoeg allemaal om windparken op lokaties die als "windrijk" beschouwd kunnen worden. Namelijk direct aan of vlak aan de kust. Het betreft machines van 225 tot 1000 kW.

 

Het hele overzicht is zeer de moeite waard eens met aandacht te bezien. Er zijn windparken bij met 10 en 11 molens van 500 kW die niet meer presteren dan gemiddeld 7 tot 9%

Dus niet meer dan het vermogen van een bescheiden motorfiets!

Dit hele overzicht van het LBW (Landelijk Bureau voor Windenergie) bevestigd wel op zeer indringende wijze de realiteit van de "hulpeloosheid" van windmolens voor de opwekking van een zinnige hoeveelheid elektriciteit voor het Nederlandse net.

 

Windkracht / Windsnelheid

 

Windkracht volgens

Beaufort

  Windsnelheid

in m/sec

  Windsnelheid

in km/uur

 
2 zwakke wind 1,6 3,3 5,8 12
3 matige wind 3,4 5,4 12 19,5
4 matige wind 5,5 7,9 19,5 29
5 vrij krachtige wind 8,0 10,7 29 38,5
6 krachtige wind 10,8 13,8 38,9 49,7
7 harde wind 13,9 17,1 50 61,6
8 stormachtige wind 17,2 20,7 62 74
9 storm 20,8 24,2 75 87,4
10 harde storm 24,5 28,4 88 102

Windmolens zijn buiten bedrijf:

bij windkracht onder Beaufort 4: dan leveren ze toch niets meer op,

bij windkracht boven Beaufort 7: dan lopen ze kans op zware averij.

Leeuwarder Courant, Vrijdag 26 mei 2000

 Naschrift van Prof. P. Lukkes

Op dit moment draagt windenergie minder dan 1/1000e deel bij aan de energievoorziening van Nederland. (In 1998 was dat om precies te zijn: 2,3/3024= 1/1300e deel). De invloed van het huidige windturbinebestand in Nederland op de stijging van de zeespiegel in de komende eeuw is dus maximaal 1/1000e van 5 millimeter=1/200e millimeter. De invloed van alle windturbines die er nu op de wereld staan zal maximaal het zevende deel van één millimeter bedragen!. (Omdat de stijging lang niet uitsluitend door het verbranden van fossiele brandstoffen wordt veroorzaakt, zijn deze cijfers voor de turbines in werkelijkheid veel te hoog!!).

 


Windenergie en de zeespiegelstijging

door Cor Bakker (literatuuronderzoeker energiebronnen)

Om de voordelen van windenergie aan te prijzen laten enthousiaste voorstanders van ongebreidelde toepassing van deze vorm van stroomopwekking zich nog al eens verleiden tot uitspraken die op zijn zachtst gezegd in belangrijke mate bezijden de waarheid zijn. Zo wordt in het artikel over windenergie in Duitsland in de krant van zaterdag 6 mei gesuggereerd, dat het Friese platteland door het broeikaseffect binnen honderd jaar onder water staat, als we hier te lande niet als de wiedeweerga windmolens gaan bouwen.

Het genoemde voorbeeld wekt de indruk een door eigen belang ingegeven bangmakerij te zijn, die feitelijk nergens op is gebaseerd. Maar misschien berust de aangehaalde uitspraak gewoon op een wijdverbreid misverstand dat simpel met de hier volgende werkelijkheid, uit de wereld is te helpen.

Nederland draagt mondiaal gezien voor minder dan 1 procent bij aan de door mensen veroorzaakte uitstoot van CO2. Er zijn aanwijzingen dat de zeespiegel de komende honderd jaar met circa 50 cm zal stijgen. Als er, zoals velen aannemen, een direct verband bestaat tussen de toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer, de opwarming van de atmosfeer en het stijgen van de zeespiegel, dan is bij gelijkblijvend percentage, Nederland in 2100 verantwoordelijk voor 1 procent van 50 cm, dat is 5 millimeter stijging van de zeespiegel. Al zou in de komende honderd jaar in Nederland alle energie met wind worden opgewekt, dan nog zou het matigend effect op de stijging van het zeeniveau niet meer kunnen bedragen dan die luttele 5 millimeter!

Toch moeten we wereldwijd blijven zoeken naar doelmatige, duurzame methoden van energieopwekking. Daarbij moet men zich er wel van bewust zijn dat alleen op zeer lange termijn, wat het broeikasgas CO2 betreft, resultaten zijn te verwachten. Tenminste de eerste honderd jaar zullen die zich slechts beperken tot vermindering van de CO2-uitstoot en niet tot vermindering van de concentratie in de atmosfeer zelf. In 2100 is die bij het milieuvriendelijkste energiescenario zelfs nog éénderde hoger dan in het referentiejaar 1990. (Bron: Wereldenergieconferentie 1993).

Wat windenergie betreft, heb ik al eerder op deze plaats naar voren gebracht dat rendementsverbetering bij stroomopwekking door fossiel (vooral gas)gestookte centrales, energiebesparende maatregelen en energiebewust consumentengedrag, tienduizenden megawindturbines overbodig maken. Een extra probleem bij windturbines is het hoge energieverbruik bij de fabricage van grote industriële molens. Door de lage energiedichtheid van de stromende lucht en de relatief lage omwentelingssnelheid van de rotor, zijn generatoren van extreme grootte nodig, die bij komende generaties megamolens honderden tonnen wegen. Omdat allemaal te kunnen dragen zijn weer zware torenconstructies en fundamenten vereist. Voor dit alles is veel materiaal nodig, zoals koper, ijzer, kunststoffen en beton. Als gevolg hiervan kunnen de energiekosten voor de winning en fabricage van het basismateriaal en voor de fabricage van de installatie zelf volgens een ruwe schatting, al gauw de helft bedragen van de totale kosten van de turbine.

Als de kosten van een gesubsidieerde turbine in tien jaar terugverdiend kunnen worden, dan lijkt het niet overdreven te veronderstellen dat de turbine de helft van die tijd - dus vijf jaar - nodig heeft om het aantal kilowatturen die nodig waren voor de totale fabricage, terug te verdienen. Bij een veronderstelde levensduur van vijftien jaar, waarvan de eerste twee jaar met kinderziektes en de laatste vier jaar met ouderdomsproblemen gepaard kunnen gaan, blijven nog negen jaar over, waarin naar verwachting, probleemloos stroom wordt geproduceerd. Hiervan zijn vijf jaar nodig om de fabricagekilowatturen terug te verdienen. Er resten de molen dan nog een schamele vier jaar om een theoretische positieve bijdrage aan de oplossing van het broeikasprobleem te leveren.

Een door een 'onafhankelijk' instituut opgemaakte, nauwkeurige energie-analyse kan uitwijzen of deze schatting te optimistisch of te pessimistisch is. Nog beter ware het dat de overheid voor de Nederlandse situatie het hele scala van energiebesparingsmogelijkheden tegen het licht houdt en op basis van hun effectiviteit en besparingspotentieel, haar energie(subsidie)beleid bepaalt. Dan zal denk ik blijken dat niet alles wat als 'groen' wordt gepresenteerd, die kwalificatie verdient.

 

 4. Het CO2 probleem

CO2 veroorzaker van het broeikaseffect?

Uit Milieu, zin & onzin

Drs. H.J. Beens, isbn 90-336-0437-x

Vrijwel alle energie die we op aarde gebruiken komt uit zogenaamde fossiele brandstoffen: bomen en planten, lang geleden gegroeid, maar in de grond omgezet in de fossiele brandstoffen. Wat vroeger gegroeid is en dus CO2 heeft opgenomen, zou bij verbranding nú het CO2-gehalte in de lucht kunnen vergroten. Men heeft geconstateerd dat bij méér CO2 in de lucht de groei van bomen en planten sneller gaat. Er wordt dan ook weer méér CO2 opgenomen totdat het evenwicht weer is hersteld.

Een groter CO2-gehalte zou meer warmte vasthouden: broeikas en rampen.

Het broeikaseffect van de dágelijkse schommelingen van het waterdampgehalte is echter groter dan van de totale toename van CO2 gedurende de laatste eeuw. Lucht is veel zwaarder dan men denkt. Eén kubieke meter lucht weegt al 1,3 kilo. Alle lucht samen 5 miljoen ton, plus 9 nullen erachter...

Als de zon erop straalt warmt deze bestraalde massa op en s'nachts wordt die warmte weer afgestaan. Een prachtig evenwicht. Met gelukkig al eeuwenlang vrij regelmatige temperaturen op het aardoppervlak. Het aandeel van CO2 in deze massale warmtewisselingen wordt voornamelijk bepaald door de hoeveelheid die ervan in de lucht zit.

En hoeveel is dit? 0,034%!!

Over de laatste eeuw is er een CO2 toename geweest van 30% of wel 0,01% van het luchtmengsel. Politiek wordt er een verdubbeling verondersteld in de komende eeuw - dus een stijging van 0,034%. Zou deze toename het temperatuur-evenwicht van de 99,966% van de massa verstoren en het aarde-verwarmend extra-broeikas-effect en klimaatveranderingen veroorzaken?

De verontrustende snelle opwarming van het aardoppervlak' over de laatste eeuw bedroeg in werkelijkheid 0,6 °C. (vrom 95188)

De door computers berekende temperatuurstijging als gevolg van verondersteld 'menselijk' extra CO2 van 0,02 graad per jaar voor de komende eeuw was voor de wereldmythe en dus ook voor de Overheid voldoende om de bedreigende verwachting te publiceren "dat in 2030 de zeespiegel wereldwijd met ongeveer twintig centimeter zal zijn gestegen en eind volgende eeuw met ongeveer 65 centimeter. Dit door warmte-uitzetting van het zeewater en het smelten van gletsjers en ijskappen". (vrom 95188)

Vraagt iemand: "Wat is eigenlijk CO2?" Het antwoord zal zijn:

"Veroorzaker van natuurrampen?", "Een giftig gas?", "Heeft dat te maken met broeikas, waardoor we oververhitting krijgen?",

"Iets giftigs dat de Regering in de grond wil stoppen?"

Grote milieu-advertenties en persberichten hebben ons dat zo bijgebracht.

We weten niet beter. Iedereen zegt het toch?

De visie van de Overheid is:

"De CO2 uit de fossiele brandstoffen hoopt zich op in de atmosfeer en houdt warmte vast. Daardoor stijgt de temperatuur op aarde en dreigt een wereldklimaatverandering. Vele planten en diersoorten worden met uitsterven bedreigt, méér insectenplagen, mislukte oogsten, méér en nieuwe ziekten, overstromingen, enz." (vrom-advertentie 17.01.97) De dreiging van het rampen-scenario maakt de bevolking bereid mee te werken aan de terugdringing van CO2. Lokaal reiken vindingrijke milieubeschermers CO2-besparende ideeën aan. Veel tijd en geld wordt besteed aan grote en kleine CO2-projecten.

De Overheid zelf zit ook niet stil.

De heffing op de vorming van CO2, door de Overheid opgelegd, wordt willig door iedereen gedragen. Scheutige Rijkssubsidies voor CO2-bestrijdende ontwikkelingsprojecten - inmiddels voor een dikke miljard gulden - benadrukken de ernst van de zaak. Wát een moeite- en geldverspilling; wát een onnodige angsten en zorgen en wát een politieke moed is er nodig als eens zou blijken dat CO2 helemaal niets met een extra-broeikaseffect-door-menselijk-toedoen te maken zou hebben! Inmiddels worden wereldwijd, miljarden-kostende, maatregelen genomen om het CO2-gehalte in de lucht terug te dringen.

Berust de wereldwijd overgenomen IPCC-conclusie dan op een mythe? Een 'foutje?'

JA!!

Laten we de nuchtere feiten op een rijtje zetten:

Energie is de basis voor (door iedereen gezochte) welvaart. Wereldwijd wordt, snel toenemend, de noodzaak gevoeld om mens- en natuuraantastende milieuverontreinigingen die bij de winning van energie uit steenkool, olie en gas vrijkomen, te bestrijden. Vermindering van het vuilgehalte van de brandstoffen vóór verbranding is de meest voor de hand liggende oplossing. Hieraan is tot heden relatief weinig aandacht besteed. Beperking van energieverbruik is daarentegen 'in'. Vrijwillige beperking werkte niet. Lokale verplichte beperkingen, bijvoorbeeld door belastingheffingen, verstoorden het economisch evenwicht. Afspraken voor wereldwijd geldende maatregelen zouden nodig zijn. Bestudering van wereldklimaat-veranderingen is de laatste tien jaar een lonende nieuwe tak van wetenschapsbeoefening geworden.

Er is tot zover maar één zekerheid betreffende het klimaat waarover iedereen het eens is:

"Klimaatverschijnselen ontwikkelen zich binnen een zó uiterst complex systeem van onderling ingrijpende processen van chemische, fysische, biologische, meteorologische en geologische aard, dat op basis van de nu nog zeer beperkte kennis, serieus-wetenschappelijke lange-termijn voorspellingen niet mogelijk zijn."

Recente pseudo-wetenschappelijke uitspraken kenmerken zich door eraan verbonden eigenbelang en onderlinge tegenstrijdigheid. "Het wel of niet optreden van een extra broeikaseffect door menselijk toedoen" is hiervan een voorbeeld.

Door feitelijke metingen is vastgesteld:

- dat de hoeveelheid CO2 in de lucht over de laatste 150 jaar met 30% is toegenomen.

- dat de gemiddelde temperatuur op aarde over de laatste 100 jaar met 0,6 °C is gestegen.

Politici geven hun voorkeur aan de volgende pseudo-wetenschappelijke theorie van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change): "De gemeten extra CO2 is door menselijk toedoen in de lucht gebracht en veroorzaakt de opwarming der aarde, met als gevolg klimaatveranderingen en natuurrampen".

Genoemde pseudo-wetenschappelijke theorie gaat uit van twee veronderstellingen:

- Dat inderdaad de toename van CO2 in de lucht door verbranding van fossiele brandstoffen zou worden veroorzaakt.

en

- Dat dit meerdere CO2 inderdaad de temperatuurstijging zou veroorzaken.

Betreffende de toename van het CO2-gehalte in de lucht is geconstateerd:

- Schommelingen van meer dan 30% vonden al in vroeger tijden plaats zónder dat CO2 gevormd door toedoen van mensen een rol speelde.

- Het CO2-gehalte wordt bepaald door een zeer complex biologisch-geologisch systeem. Eventuele extra CO2 uit fossiele brandstoffen speelt daarbij een beperkte rol. Invloedrijke factoren zijn bijvoorbeeld:

- de CO2-wisselwerking tussen lucht en water. In de oceanen is ca. 52 maal zoveel CO2 opgelost als er in de lucht voorkomt.

- opname van CO2 door versnelde groei in de biosfeer.

- ontgassing van de aarde en vulkaanerupties.

- oceanen die warmer worden geven CO2 af. CO2-toename in de lucht zou dan een gevolg zijn van hogere temperaturen in plaats van de oorzaak.

De temperatuurstijging in relatie tot het CO2-gehalte:

- De temperatuurstijging over de eerste 40 jaar van deze eeuw was 0,4 °C bij een beperkte uitstoot van fossiel CO2. Daarna begint de CO2-uitstoot voor energie-winning grote vormen aan te nemen; in 25 jaar (1940 - 1965) het viervoudige. Maar de temperatuur over die periode daalde met ca. 0,15 °C, om in de laatste periode weer met 0,35 °C te stijgen.

- De invloed op de temperatuur van andere natuurlijke factoren, zoals het waterdampgehalte, kortere zonnevlekkencycli en de enorme warmte-capaciteit van oceanen, maken verhoudingsgewijs het aandeel van CO2 in een eventuele opwarming verwaarloosbaar klein.

Tot zo ver een aantal feiten.

De (politieke) pseudo-wetenschappelijke (IPCC)-theorie is op zijn minst onwaarschijnlijk geworden. Politici hebben een wereldwijd beleid zó sterk vereenzelvigd met deze klimaattheorie dat het voor hen niet meer mogelijk lijkt te zijn een en ander op meer reële gronden bij te stellen. Het zou groot gezichtsverlies en verlies van forse belangen betekenen. De broeikascarrousel moet doordraaien! Zo is men op Wereld Klimaat Conferenties, zoals in Kyoto (1997), tot verplichtende CO2-beperkende energieafspraken gekomen die het wereldenergieverbruik omstreeks 2010 tot ca. 7% onder het 1990-niveau beperken. Zonder afspraken zou dat niveau ca. 65% hoger liggen. Door deze ingreep zou een stijging van het CO2-gehalte van 0,02 %(!) voorkomen worden.

Is er één land dat dit nog serieus neemt en zijn industrieën stil gaat leggen om niets? Het is zinloos, politiek geconfereer over gebakken lucht! En men kan het weten. Wanneer de Wereld Klimaat Conferentie dezelfde krachten, invloed, tijd en middelen zou besteden aan vermindering van het vuilgehalte van de brandstoffen dan zou:

al bij 1% lager vuilgehalte 13% méér energieverbruik mogelijk zijn bij gelijkblijvende vuiluitstoot

of

bij 10% meer olie- en gasproductie ter vervanging van ca. 20% bruin- en steenkool, de totale vuiluitstoot met ruim 100 miljoen ton (= 15%) verminderen.

Eindconclusies:

Effectieve bestrijding van het vuil ín de brandstoffen is nauwelijks van de grond gekomen. Deze mogelijkheid van 'méér energie bij lager vuiluitstoot' blijft nog vrijwel ongebruikt. Economie en milieu smeken om aandacht hiervoor. Alleen al de complexiteit van het klimaatgebeuren maakt de stelling dat fossiel CO2 klimaatcatastrofes veroorzaakt een lachertje. Er is geen broeikasprobleem door menselijk toedoen. Fossiel CO2 is onschuldig. Menselijke pogingen om het CO2-gehalte in de lucht te beperken ter voorkoming van broeikasopwarming zijn even onzinnig als de Noordzee te willen afdekken met plasticfolie om de hoeveelheid waterdamp in de lucht terug te dringen.

Er is wél een menselijk probleem: "Hoe kan zo'n fundamenteel CO2-wanbegrip zó hardnekkig aanvaard blijven?"

Is de naakte waarheid politiek niet meer haalbaar?

Dat u het maar weet: er waait genoeg wind op aarde om de mensheid zes keer van stroom te voorzien. Jammer alleen dat het niet altijd waait waar het het meeste nodig is.
Wind genoeg voor aardse stroombehoefte
dinsdag 28 september 2004
Een windmolenpark zo groot als Saoedi-Arabië moet het hem doen. De hele wereld is daarmee te voorzien van stroom, stellen onderzoekers van de Universiteit Utrecht en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
 
"Het is natuurlijk een fors oppervlak. En het staat verspreid over de hele wereld," aldus de Utrechtse natuurkundige Wim Turkenburg vanmorgen tegen Noorderlicht Radio. "Maar het laat wel zien dat je de elektriciteitsbehoefte wereldwijd kunt dekken met windenergie."
 
Turkenburg en collega's namen de aardbol, deelden al het land op in 66 duizend hokjes en bekeken in hoeveel hokjes het hard genoeg waait om windenergie rendabel te maken. De onderzoekers gaan ervan uit dat windenergie loont vanaf een gemiddelde windsnelheid van vier meter per seconde (ruim windkracht drie).
 
Vervolgens streepten de onderzoekers alle hokjes weg waar geen windmolens passen, zoals in de bergen, in bebouwde gebieden en in natuurgebieden. Uiteindelijk becijferden de onderzoekers wat er gebeurt als je in de hokjes die overblijven windmolens zou neerzetten: vier turbines per vierkante kilometer, goed voor één megawatt aan energie per molen.
 
"Je houdt dan 9 procent van het vasteland over," zegt Turkenburg - een gebied zo groot als China. Als dat oppervlak echt zou worden volgezet met windturbines, is dat in theorie genoeg voor 96 biljoen kiloWattuur groene stroom per jaar: zesmaal de wereldbehoefte aan stroom. En dat allemaal zónder windmolenparken op zee: wegens te weinig gegevens liet Turkenburg de opwekking van elektriciteit uit zeewind buiten beschouwing. "Terwijl we van de Noordzee weten dat je daar ongeveer twee keer zoveel energie kunt opwekken als op land."
 
Toch is er ook een probleem: de kosten. Windmolenparken moeten namelijk wél eerst worden gebouwd, en vervolgens onderhouden. Al met al kan dat erop neerkomen dat de elektriciteit straks maar liefst 25 keer duurder is dan vandaag - als de mensheid er inderdaad toe zou overgaan om iedere vierkante kilometer aardbol waar het maar een beetje waait te benutten.
 
Realistischer is het om alleen de 'vakjes' aardbol te nemen waar het het hardste waait, weet Turkenburg. Je houdt dan een areaal aan windmolenparken over dat bij elkaar zo groot is als Saoedi-Arabië. Windenergie zou in dat geval 'slechts' twee keer zo veel kosten als de elektriciteit van vandaag, becijferde Turkenburg.
 
'Gewone' stroom uit de fabriek kost momenteel zo'n 3 tot 5 cent per kiloWattuur, afhankelijk van onder meer de olieprijs. Windelektriciteit zit daarboven: 7 à 8 cent per kWh. Het park ter grootte van Saoedi-Arabië zou ook uitkomen op 7 tot 8 cent, denkt Turkenburg. "En door de technologische ontwikkelingen die eraan komen, kan die prijs nog belangrijk naar beneden gaan. Met een factor twee, schatten we," aldus Turkenburg vanochtend.
 
Een nadeel is echter dat de hoeveelheid wind sterk verschilt van gebied tot gebied. Vooral Oost-Afrika is op het eerste gezicht uitermate geschikt voor windenergie: het waait er in één jaar tijd genoeg om het continent 360 jaar lang van stroom te voorzien. In Europa waait het jaarlijks genoeg om de energiebehoefte van het continent tweemaal op te wekken, en de VS kan in theorie vijf tot zes keer meer energie opwekken dan het land nodig heeft. Maar het dichtbevolkte Zuid-Oost Azië kan windmolens bouwen wat het wil; het waait er domweg niet genoeg om in de elektriciteitsbehoefte te voorzien.
 
Turkenburg heeft niet veel op met critici die dergelijk gecijfer maar onzin vinden. Volgens een aantal geleerden rekent de wereld en Nederland in het bijzonder zich rijk met. De turbines leveren immers maar bij één windsnelheid de optimale hoeveelheid energie af. Als het iets minder hard waait, neemt de opbrengst snel af. De Nederlandse ingenieursvereniging KIVI moest enkele jaren geleden toegeven dat windmolens in elk geval de komende twintig jaar meer geld zullen kosten dan dat ze opleveren.
 
Geen enkele reden om de wind dus maar onbenut langs te laten waaien, vindt Turkenburg. "Dit soort processen moeten absoluut in gang worden gezet. We kunnen wel wachten tot de olieprijs nóg hoger is, maar het is veel beter om de techniek nu al te ontwikkelen. Uiteindelijk zal het gaan om het combineren van een aantal alternatieve energiebronnen, waar windenergie er een van is. Je moet nooit voor één anker gaan liggen."
 

Maarten Keulemans
 

Monique Hoogwijk, Bert de Vries en Wim Turkenburg: "Assessment of the global and regional geographical, technical and economic potential of onshore wind-energy." Energy Economics, in druk (2004).

Ir J.A. Halkema                                                           Theo Mann-Bouwmeesterlaan 86

26 maart 2005                                                             2597 HJ Den Haag

                                                                                   tel-fax: 31.(0)70-3244153

                                                                                    e-mail:  jahalkema@compuserve.com

              Windmolens - eigenschappen - opbrengsten - bedrog.

                                               (een korte samenvatting)

Zowel de eigenschappen als de opbrengsten van windmolens zijn volledig afhankelijk van hun  zwakke “aandrijvend medium”, de wind dus. Heel simpel gezegd: alleen het zwakke aandrijvende vermogen dat de wind aanvoert wordt via de propellers en de generator in de windmolen omgezet in elektriciteit. Alleen in de gevallen dat er relatief veel vermogen door de wind aangevoerd wordt zal er ook relatief veel elektriciteit opgewekt kunnen worden. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook: wordt er maar zeer weinig of zelfs nauwelijks iets aan vermogen aangevoerd dan kan er ook nagenoeg geen elektriciteit opgewekt worden. Dat is toch logisch. Wanneer u de trappers van uw fiets nauwelijks gebruikt zult u ook nauwelijks vooruit komen.

Iedereen weet: de windsterkte varieert gedurig onvoorspelbaar tussen nul (bij windstilte) en zeer sterk gedurende storm. Stormkracht is voor een windmolen gevaarlijk in verband met mogelijke breuk van de propellerbladen. Dan wordt de molen ook ‘uit de wind’ gedraaid en wekt hij geen stroom op. Bij windkracht onder Beaufort 4 wekt de molen nauwelijks of geen elektriciteit op en wordt daarbij dan ook meestal afgeschakeld. Het heeft geen zin het ding (met tandwielkast en generator) te laten draaien wanneer er toch geen elektriciteit wordt opgewekt. Daarom produceert een windmolen alleen elektriciteit tussen windkracht Beaufort 4 (uiterst minimaal dan) en Beaufort 8 tot hoogstens B 9. (Kijkt u maar eens naar het weerbericht hoe zelden de wind nu precies tussen die B 4 = ‘matige wind’ en B 9 = ‘storm’ waait)

Het door de propellers aan de generator doorgegeven aandrijvend vermogen is tot overmaat van ramp extreem sterk afhankelijk van de windsnelheid. Nog veel sterker afhankelijk dan alleen maar evenredig met de windsnelheid. Namelijk volgens de ‘derde macht’. Dus bij halve windsterkte (ca. B 5) daalt het vermogen niet naar de helft maar naar 1/2  x  1/2  x  1/2  = 1/8. Dus bij halve wind, die B 5, naar nog maar een achtste deel. En dat is nog maar 12 procent!

Hieruit ziet u : de windmolen wekt gedurende een jaar in de verste verte niet continu met vol vermogen elektriciteit op. Door die zeer sterke variaties van dat vermogen tussen vaak nul of maar héél weinig,  en zelden maximaal zal gemiddeld over een heel  jaar met niet meer dan één zesde deel van vol vermogen elektriciteit opgewekt worden. Dit getal één zesde is een ervaringsgetal als gemiddelde voor de windmolens in Nederland. Op uitzonderlijk windrijke locaties kan dat getal (productiefactor genoemd) wel eens iets hoger zijn. Ook zal dat getal iets hoger zijn wanneer er buitengewoon hoge molens gebouwd worden. Maar rekent u als gemiddelde voor Nederland met één zesde deel van wat met maximaal vermogen opgewekt zou kunnen worden dan zit u er niet ver naast. ( Bedenk wel: in de meeste gevallen zal het zelfs minder zijn!) De te bereiken productiefactor is door dat altijd  sterk wisselende vermogen nooit precies te voorspellen. Voor dat getal zult u dan ook nooit een garantie krijgen. Het zal altijd een gok zijn.

--- De kosten. En waarom die zo hoog zijn:

Het voorgaande betekent dat er voor de bouw van een windmolen altijd een prijs betaald zal moeten worden die gerelateerd is aan dat maximale vermogen (dat is nu in 2005 circa 1,1 tot 1,2 miljoen euro per 1000 kW) terwijl er gemiddeld over een jaar met maar één zesde van dat maximale vermogen elektriciteit opgewekt wordt! Dus men betaalt  voor 100 % vermogen, maar de molen produceert gemiddeld maar met 17 % (dat is één zesde)! Je kan dus zeggen: 83 % van het besteedde geld is eigenlijk weggegooid...Bovendien: ziet u voor windmolenbouw ooit een openbare aanbesteding? Verdacht nietwaar? Lijkt dat niet erg op zoiets als Windmolenfraude?

--- De productie van elektriciteit in vergelijking met het totale verbruik in Nederland:

Het is belangrijk dat u onthoudt dat het totale gebruik van elektriciteit in Nederland opgewekt wordt door een groot aantal zeer krachtige centrales. Die draaien met elkaar, en als gemiddelde over een jaar, met circa 13.000.000 kilowatt. (Dertien miljoen kilowatt!) Dit getal is gebaseerd op  getallen van het CBS, maar dit neemt ieder jaar met 2 tot 3 procent toe. Dus bedenk wel: ieder volgend jaar moeten al die centrales weer zoiets als 260.000 tot 390.000 kilowatts méér opwekken! Van die dertien miljoen kilowatt wordt circa twintig procent opgewekt in de bruinkoolcentrales in Duitsland en (een nog aanzienlijk groter deel daarvan) in de kernenergiecentrales in België en Frankrijk. Alles omdat Nederland al jaren verzuimde voldoende centralecapaciteit bij te bouwen.

We rekenen nu even uit wat de bijdrage aan onze elektriciteitsbehoefte in Nederland is voor drie grote (!) typen windmolen. Van 1000 kW, van 2000 kW en van 3000 kW maximaal vermogen.

We rekenen dus met een productiefactor van 17 %, zijnde één zesde. Zoals hierboven uitgelegd.

De 1000 kW windmolen produceert dan gemiddeld met 170 kW (kilowatt).

        Dat is 1,3 honderdduizendste deel van totaal Nederlands gebruik.      

De 2000 kW windmolen produceert gemiddeld met 340 kW (kilowatt).

        Dat is 2,6 honderdduizendste deel van totaal Nederlands gebruik.      

De gigantisch grote 3000 kW windmolen produceert gemiddeld met 510 kW (kilowatt).

        Dat is 3,9 honderdduizendste deel van totaal Nederlands gebruik.

Dit zijn de miserabele getallen die door de promotors van windmolenbouw altijd zorgvuldig verzwegen worden ! En dat heet in normaal Nederlands: ‘pure misleiding’.

Vergelijkt u deze minimale bijdrage aan ons nationale verbruik met wat er ieder jaar door  toename van ons verbruik nodig is  dan ziet u dat alleen om die toename van het gebruik bij te houden er ieder jaar tussen de  500 en 780 van die gigantische 3000 kW windmolens bijgebouwd zouden moeten worden. Dus zo ongeveer twee tot drie per werkdag! Jaar in - jaar uit...

Nu zullen die propagandisten van windmolens vaak moord en brand roepen omdat die hier genoemde productiefactor volgens hun veel te laag is, maar dan zult u toch wel doorzien dat ook bij een iets hogere productiefactor het beeld van die bijdrage aan onze totale behoefte maar ‘een haartje’ beter zou worden. Bovendien zult u daarvoor nooit, absoluut nooit, een garantie krijgen...

 

De onzinnige aanduiding ‘genoeg voor zus of zoveel huishoudens’ moet u nooit accepteren!

Die is namelijk ook alweer alleen bedoeld om u te misleiden!

De propagandisten van windmolenbouw zullen nooit de opbrengst van de windmolens in de enige echt bestaande meeteenheid kilowatturen opgeven maar altijd in die onzinnige en nooit te controleren aantallen ‘huishoudens’. Hoe zou nu ooit te controleren zijn of dat beetje door de windmolens opgewekte stroom nu precies, alleen en uitsluitend, naar ‘huishoudens’ zou gaan?? Dus blijkbaar niet naar al die honderden of vaak duizenden andere gebruikers van elektriciteit?  Niet naar de winkels, het ziekenhuis, het rioolgemaal enz. Hoe kan dat? Dat zou toch je reinste onzin zijn. En zouden huishoudens nu echt blij zijn met levering door een windmolen die dan weer wél iets levert, dan weer niets! Nee, iedereen, iedere verbruiker, krijgt dus doodgewoon ‘grijze stroom’ uit het stopcontact. Of het nu een huishouden is of dat ziekenhuis of dat rioolgemaal. Dat u bij u thuis uit die windmolen ooit ‘groene stroom’ zou krijgen is ook alweer kletspraat. Zegt u maar gewoon: bedrog.

Elektriciteit wordt toch ook nooit anders met klanten afgerekend dan met een rekening in echt gemeten en te controleren kilowatturen. Veronderstel dat u voor uw rekening thuis de aanduiding krijgt: “U hebt dit jaar voor 1,3 huishoudens gebruikt. Dus daarvoor moet u betalen!” Dan vraagt u toch ook of ze gek geworden zijn...  U mag dus nooit die onzinnigheid van zus of zoveel ‘huishoudens’ van de propagandisten accepteren! Altijd moet u zo’n man vragen: ‘Hoeveel kilowatturen levert het ding? En dat natuurlijk mét uw garantie!’ Die uitspraak ‘huishoudens’ is alleen bedoeld om indruk te maken. Om u te misleiden. Het zijn gewoon gladde verkooppraatjes. Nergens anders voor. Ik hoop dat u dat nu ook wel zal begrijpen.

            Een opgave in ‘huishoudens’ is net zo krankzinnig als de uitspraak:

     'De afstand van hier naar Parijs is 130. 000 stokbroden’.

Misschien zou het nuttig zijn dit verhaal aan alle belangstellenden door te gegeven. Wat uitvoeriger informatie, met o.a. door de Kema gemeten opbrengsten, vindt u overigens in het boek ‘Windmolens? Zinloze machines!’ - ISBN 90 5959 015 5.  Zie verder volgende pagina 3.                                                                                                                                                                

Zijn propagandisten van windmolens dan eigenlijk bedriegers?

 

Het is nog al wat om iemand als ‘bedrieger’ te kwalificeren!  Dan zou er ‘moedwillige misleiding ten eigen bate’ moeten plaatsvinden. Laten wij bezien in hoeverre dit gebeurt bij het aanbevelen,  het propaganderen, van de plaatsing van windmolens.

Nu gaat het bij windmolens om apparaten waarvan het erg verleidelijk is om in te spelen op de nobele emoties van publiek dat geen enkel of, hoogstens, bijzonder weinig begrip van technische of natuurkundige wetten heeft. Immers opwekking van elektriciteit met schone en niets kostende wind lijkt bijzonder attractief. Wanneer het nu maar zo voorgesteld wordt dat hiermee geholpen kan worden de wereld te vrijwaren van een meest afschuwelijke toekomst dan is het te verwachten dat hordes van die ondeskundige idealisten en de maar in zeer geringe mate kritisch nadenkende mensen blindelings aan het dogma van het ‘grote nut’ van windmolens zullen geloven. En iedereen weet: geloven de mensen eenmaal aan een dogma dan zullen zij bijzonder verontwaardigd zijn over iedere aanbeveling nu eens hun nuchtere verstand te volgen. Eens na te denken en ook eens een andere waarheid te accepteren.

Ziehier alle mogelijkheden voor ‘bedriegers’ om hun slachtoffers er toe te brengen aan het grote nut van windmolens te blijven geloven. Daarvoor kunnen bedriegers al volstaan met het consequent verzwijgen van alle nadelen die windmolens nu eenmaal hebben. Die zijn immers, als technische apparaten, volledig afhankelijk van technische, of anders gezegd, natuurkundige wetten. En u kent waarschijnlijk ook het gezegde “de halve waarheid is een hele leugen !” Wat wordt nu altijd door de propagandisten aan eigenschappen van windmolens verzwegen, en daardoor als een hele leugen verteld?

A. Zij produceren ten opzichte van wat er in een land aan elektriciteit nodig is extreem weinig. Voor bijdrage aan onze Nederlandse behoefte eigenlijk al onmeetbaar weinig. Dus, helemaal, als bijdrage aan het mondiale energiegebruik het bespreken niet eens waard.

B. Dat extreem weinige wordt nog niet eens met één constante sterkte opgewekt maar gedurende een jaar met honderden onverwachte en natuurlijk onacceptabele onderbrekingen.

C. Die miserabele opbrengst wordt door de propagandisten bewust verzwegen door hierover in de onzinnige en nooit te controleren meeteenheid ‘huishoudens’ te spreken. Zij weigeren zelfs deze opbrengst als deel van ons nationale gebruik in de enige bestaande en ook garandeerbare elektrische meeteenheden (kWh’s) op te geven. Dat zegt toch alweer genoeg...

D. Bij hun propagandapraatjes die bedoeld zijn om door overheidsinstanties al voorgekookte besluiten tot plaatsing van windmolens doorgedrukt te krijgen geven zij nooit een uitleg over alle eigenschappen van windmolens. En dat noemen zij brutaalweg ‘informatieve bijeenkomsten’! Terwijl juist het selectief verzwijgen van ongunstige  informatie daarbij hun doel is.

E. Enige controleerbare garantie over opbrengst en leveringsbetrouwbaarheid wordt niet gegeven. Evenmin als een betrouwbare en alle meespelende factoren bevattende kostenbaten analyse. Zoiets heeft men u, met zekerheid,  nog nooit voorgerekend.

F. Al hun betogen zijn altijd gericht op enige vorm van hun eigen voordeel : politiek - financieel - of in verband met hun eigen baan of ‘aanzien’.

G. Voor de bouw van een windmolenpark wordt nooit een openbare aanbesteding gehouden. Een eventuele opdracht gaat altijd naar de een van de in het geheim afgesproken uitvoerders.

H. Een doodenkele keer wordt er een zogenaamd advies over de plaatsing van windmolens gevraagd, maar dat advies blijkt dan altijd te komen van personen of instanties die duidelijk een belangenverstrengeling met het project hebben. Dit zijn dus in wezen altijd verdachte en daardoor waardeloze adviezen. Vaak zijn daarbij organisaties van binnen de overheid, en dan met indrukwekkend klinkende namen, betrokken. Hun onbetrouwbaarheid is meestal alom bekend... Zij doen en zeggen braaf datgene wat hun opdracht is. Waar of niet waar---.

Deze lange lijst van doelbewuste misleiding kan nog met tal van andere voorbeelden aangevuld  worden maar die alles bij elkaar een duidelijk antwoord op de gestelde vraag geven: Zijn de propagandisten van windmolens bedriegers? Ja! Zéker wanneer zij dat zelf bewijzen!                                   ---------------------------------------                   

            Ir J.A. Halkema                                                          Theo Mann-Bouwmeesterlaan 86

                                                                                              2597 HJ Den Haag

                                                                                              tel-fax: 31.(0)70-3244153

                                                                                               email:jahalkema@compuserve.com

                                                                                   

                                                                                              mei 2005

_______________________________________________________________________________________________________

                   Recept ter beoordeling van windmolenverhalen.

Het is duidelijk dat het tot steeds meer mensen begint door te dringen dat windmolens nu niet bepaald een zinnige oplossing kunnen bieden voor mondiale of zelfs maar nationale opwekking van elektriciteit. Daarom verschijnen er ook in de media meer en meer verhalen over enorm grote windmolens die met quasi indrukwekkende ‘koppen’ (headlines) om aandacht vragen; ’s Werelds grootste windmolen’- ‘Grootste windmolen’- enz.enz. Een oplettende lezer die even met een rekenmachientje een paar uitermate simpele sommetjes loslaat op de tekst van deze verhalen krijgt binnen vijf minuten de bevestiging van: ‘Windmolens? Zinloze machines!’

 

Ik geef u hierbij het ‘recept’ om tot een beoordeling van die snorkende verhalen over windmolens te komen.  Eigenlijk zou u eerst even het verhaal ‘Windmolens - eigenschappen - opbrengst - bedrog’ moeten lezen. Dat helpt u op weg naar begrip over enkele termen

 

Hier gaan we:

--- Vergeet nooit dat geen enkele vermelding van welke eigenschap dan ook van windmolens  ooit vóór een jaar continu bedrijf bewezen of gegarandeerd kan worden: niet het maximale vermogen, niet de opbrengst in kilowatturen (kWh’s), niet de te verwachten productiefactor, niet de betrouwbaarheid van levering van elektriciteit. Al deze essentiële zaken zullen altijd met fraaie woorden en getallen zonder enig getalmatig bewijs aan het goedgelovige publiek voorgehouden worden. Dus punt 1 van het recept luidt:

‘Laat je nooit misleiden, geloof zonder getalmatig bewijs niets van al die verkoopspraatjes!’

 

Hoe zit dat dan bij de aankondiging van deze zojuist genoemde grootheden bij de normale machines in een centrale? Vóór de definitieve overdracht aan de opdrachtgever van een centrale zal er altijd een periode van proefbedrijf gedraaid worden. Meestal ononderbroken gedurende één of twee weken. Alle prestaties zullen na exacte meting in een protocol worden vastgelegd. Pas na het geleverde bewijs van alle tevoren aangekondigde prestaties zal de overdracht van eigendom plaats vinden. Dit geldt voor alle soorten centrales: met stoomturbines, met gasturbines, met nucleaire centrales. Kortom: ‘Weten (en betalen!) komt pas na het meten’. Doodnormaal.

 

Terug naar de mooie verhalen over windmolens:

Maximaal vermogen: dat is immers afhankelijk van een bepaalde zeer forse windsterkte. Hoe zou men nu een meting gedurende een bepaalde ononderbroken proefperiode met maximaal vermogen kunnen doen? Onmogelijk. U wordt geacht het allemaal wel te geloven.

Opbrengst in kilowatturen: Is ook onmogelijk in een proefperiode  vast te stellen of te meten. Pas na een vol jaar bedrijf, dus achteraf, te constateren. Tevoren moet men alle fraaie verhalen zonder enig bewijs weer gewoon geloven.

Productiefactor: die is zoals u zou moeten weten, bijzonder belangrijk om het commerciële- en het bedrijfsrendement te kennen. Ook weer onmogelijk vóór de eigendomsoverdracht vast te stellen. Daarom niets anders dan een blinde gok.

Leveringsbetrouwbaarheid: Dit is het enige punt waarvan men van tevoren met absolute zekerheid het resultaat kan voorspellen. Dat zal luiden:  ‘ Betrouwbaarheid van levering zal allerbelabberdst zijn, met honderden onderbrekingen per jaar’. Dat is dan ook de reden dat promotors van windmolens over deze kwestie altijd zorgvuldig zwijgen.

U ziet, wie alle verhalen over windmolens of een windmolenpark zonder na te denken als waarheid aanneemt schaart zich onder de naïevelingen die ieder verkoopspraatje van de promotors van ‘Windenergie’ als eerlijke, dus volledige en niets verzwijgende informatie accepteert. Zo iets is nooit verstandig... Dat zou ook zoiets zijn als die naïeve zielen die gretig ingaan op de aanbiedingen van een beleggingsadviseur; ‘Beleg via mij! Ik garandeer u een rendement van dertig procent per jaar! Maar dan moet u uw geld wel snel op mijn bankrekening storten.’ En zo gaat het eigenlijk ook bij alle aanbevelingen  om windmolens te bouwen; ‘Gelooft u mij nu maar en geeft u mij nu maar snel de opdracht tot bouw!’

 

Misschien is er nog één excuus voor bouwers van windmolens en dat is wanneer zij gedreven door het volksgeloof,  en ondersteund door subsidieregels van de overheid, besluiten dat het de kosten loont windmolens te bouwen. En wel omdat zij daardoor een goede naam hopen te krijgen als zijnde hoeder van ‘ons  milieu’ en als strijder tegen de afschuwelijke drama’s die de wereld te wachten staat.

Zo’n van kilometers afstand zichtbaar uithangbord ‘Wij denken toch ó zo groen!’ kost natuurlijk maar peanuts in vergelijking met alle kosten van hun normale bedrijfsvoering. U dacht toch écht niet dat die grote bedrijven die hier en daar windmolens bouwen (Shell, Siemens, BP)  dat doen om van een betrouwbare levering van elektriciteit verzekerd te zijn? Kom nou! Zij wegen gewoon af: ‘Wat kost het ons na ontvangst van alle subsidies en wat brengt het ons aan goede naam bij het publiek op?’

 

Nu terug naar het recept om te doorzien wat de informatie over nieuw te bouwen windmolens nu in wezen betekent.  Punt 1 kent u al: ‘Geloof niet alles!’. Voor het overige zult u toch wat in de getallen moeten duiken. Dus zorgt u ervoor dat u een rekenmachientje bij de hand hebt.

 

Punt 2 van recept: Onthoudt dat het totale gebruik aan elektriciteit van Nederland (relatief) enorm groot is. Het vermogen van alle leverende centrales bij elkaar moest in 2004 niet minder zijn dan circa 13.000.000 kW (kilowatts), zijnde 13.000 MW (megawatts). Dit vermogen moet, uiteraard, met de allergrootste leveringsbetrouwbaarheid, dus zonder enige onderbreking ter beschikking zijn.

Verder dient u te onthouden dat de jaarlijkse toename van dat gebruik ongeveer 2 tot 3 % is. Dus ieder jaar moet er aan producerend vermogen bij komen van 260 tot 390 MW.

Punt 3: U moet weten en onthouden wat de termen maximaal (= nominaal) vermogen van een windmolen betekent. Veder de termen ‘de opbrengst per jaar’ gerekend in kWh’s. En de ‘produciefactor’  ( dat is de werkelijke totale jaaropbrengst als percentage van wat er geproduceerd zou worden wanneer de windmolen het hele jaar zonder enige onderbreking met maximaal vermogen zou draaien)

Met deze weinige begrippen en uiterst simpele sommetjes rekenend doorziet u de dwaasheid, en dus ook de altijd weer verzwegen realiteit van windmolens.

Punt 4: De sommetjes: u begint het aantal geproduceerde kilowatturen (kWh’s) om te rekenen in kilowattjaren. Omdat een jaar 8760 uren telt moet u dus het kilowatturen getal delen door 8760. Dat getal geeft dan aan met hoeveel kilowatts er gemiddeld gedurende een jaar lang ook echt, dus effectief, geproduceerd werd. Dit effectieve jaarvermogen gedeeld door het maximale vermogen is dus niets anders dan de productiefactor. De waarschijnlijk-heid van die zo gevonden productiefactor kunt u dan vergelijken met het in Nederland al als hoog beoordeelde getal 17 %. Bij hoge uitzondering kan op enkele locaties en bij zeer hoge windmolens die productiefactor wat hoger uitvallen. Maar nooit van te voren te voorspellen! In ieder geval zal het verschil  in effectief geproduceerde kWh’s bij een wat hogere productiefactor nooit veel uitmaken... Zeker niet in vergelijking met dat totale Nederlandse gebruik van 13.000.000 kW! Dus een heftige strijd erover dat de (niet te voorspellen!) productiefactor wat hoger zal zijn heeft maar weinig zin. Het gaat dan over enkele luttele tienduizendste delen van het totale Nederlandse gebruik... Iets meer of iets minder.

Met de wijsheid van dit simpele recept oordelen wij nu eens over de betekenis van de informatie in twee recente verhalen in de media:

A. In Technisch Weekblad van 15 april 2005 stond een verhaal over wat genoemd werd ‘de grootste windmolen van de wereld’. Inderdaad een gigantisch groot ding. Met propellers van 53 meter lang. Dus een diameter van ruim honderd meter! Maximaal vermogen werd met 4,5 MW aangegeven. Met ontzag werd vermeld dat deze mastodont zou opwekken 15 miljoen  kWh. Natuurlijk weer een getal dat pure gok vooraf is. Delen door 8760 geeft een gemiddeld effectief jaarvermogen van een bescheiden 1,7 MW. Maar wat toch een productiefactor zou betekenen van 1,7 / 4,5 = 0,38  of 38 procent. Dat lijkt nu juist onwaarschijnlijk hoog, maar niemand kan het bewijzen. Maar wat zou zo’n enorm monster nu eigenlijk voor onze Nederlandse behoefte opbrengen? Dat is blijkbaar 1,7 / 13.000 = 0, 00013 of één komma drie tienduizendste deel van onze nationale behoefte. Dat betekent ook dat wanneer wij met deze monsterachtig grote windmolens alleen maar onze jaarlijkse toename zouden willen bijhouden er dan drie tot vier en een half stuks per week bijgebouwd zouden moeten worden. Ik hoop dat u, lezer, nu toch iets genuanceerder over windmolens zult denken. Zeker wanneer u beseft dat wát die dingen dan nog aan opwekking van elektriciteit doen dit hoogst onbetrouwbaar qua levering gebeurt. Dus totaal ongeschikt als zelfstandige bron van elektriciteit... En bovendien is de kWh productie altijd verwaarloosbaar weinig.

 

B.  In De Ingenieur van 13 mei 2005 stond een verhaal over wat in het opschrift aangekondigd werd als ‘Grootste windmolen’. Ook weer monsterachtig groot; ashoogte 80 meter, rotordiameter 90 meter (dus totaal reikend tot ca. 125 meter hoogte!). Maximaal vermogen werd aangegeven met 3 MW. Drie van die door BP bij hun ’Brandstoffenterminal’ in Amsterdam Westelijk Havengebied te bouwen gevaarten zouden met elkaar 21.000 MWh opbrengen. Weer zonder enige garantie vooraf natuurlijk en verder met die honderden onderbrekingen per jaar tengevolge van de variaties van windsterkte. In kWjaren zou die opbrengst zijn 21.000 / 8760 =  2,4 MWjaar. Er wordt dus gerekend op een productiefactor van 2,4 / 9 = 0,27 of 27 %.  Lijkt ook weer hoog ,maar met deze hoge machines misschien nog wel het daarop gokken waard. Ten opzicht van ons nationale verbruik levert iedere molen

0,8 / 13.000 = 0,00006 of zes honderdduizendste deel. Maar, nooit vergeten, alweer met honderden wisselvallige onderbrekingen per jaar. Waar het BP bedrijf niet erg blij mee zal zijn. In dit zelfde bericht over BP staan nog verdere plannen van BP genoemd. Simpele sommetjes bewijzen ook daarmee weer dat het plaatsen van enorme maar altijd onvoorspelbaar en wisselvallig producerende windmolens door grote bedrijven alleen maar ingegeven kan worden door: ‘Ach,het kost wel een paar centen maar we adverteren wel met die dingen tot op vele kilometers afstand dat wij zo ‘groen denken.’

 

Het beoordelingsrecept in het kort samengevat:

 1. Onthoudt Nederlands gebruik wordt gedekt door 13.000 MW. Jaarlijkse toename 2 tot 3%.

2, 3,4 :  Maak van de opgegeven jaaropbrengst in kWh’s kilowattjaren door deling door 8760. Vergelijk die uitkomst, na weglaten van achtervoegsel jaren, met het totale maximale vermogen en vergelijk dan ook de beloofde maar nooit te garanderen productiefactor met de 17% die voor grote windmolens in Nederland  realistisch te  verwachten is. Vergelijk ook de effectieve opbrengst met de totale Nederlandse behoefte. Vergeet nooit dat alle fraaie voorspellingen nooit meer zijn dan gegokte voorspellingen voor de ‘verkoop’.

Bedenk ook: de promotors van windmolen bouw zullen altijd goochelen met de productiefactor. Maar dat zoiets maar minimaal zal helpen verzwijgen zij uiteraard ook altijd.

 

En zo ziet u dat windmolens, hoe enorm groot zij ook gebouwd worden, voor zinnige bijdrage aan een behoefte aan elektriciteit, zelfs voor het kleine Nederland, een dwaze hersenschim is. Daar zijn met een beetje gebruik van het gezonde boerenverstand  betere , betrouwbaardere en economischer benaderingen voor te bedenken.

 

                                               ---------------------------------

 

 

 

 

 Home ActueelDalfsen Barometer Alternatieven Gastenboek Groene stroom                                               Links Over ons Pers Wat vinden wij Archief